Hoofdstuk 4: Naar een Europees Defensiebeleid

Al snel na het Verdrag van Maastricht (1992) en de oprichting van het GBVB werd het vermogen van de EU om effectief op te treden in conflicten al getest in Joegoslavië. En de EU scoorde een onvoldoende, zo bleek. Het GBVB kon geen rol van betekenis spelen in het bloedige etnische conflict in de achtertuin van de Europese Unie. Het optreden van de NAVO, en met name de Verenigde Staten, was nodig om het conflict te beëindigen. De noodzaak voor een Europees defensiebeleid werd op een pijnlijke manier duidelijk. Hoe reageerde de EU hierop?

 

4.1 De aanzet tot een Europees defensiebeleid

Het initiatief kwam vanuit het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. In 1998 deden deze twee landen tijdens de St. Malo top (zie kader) een oproep de EU een zelfstandige militaire rol te laten spelen in vredesoperaties.

 

Een jaar later, in 1999, gaven de regeringsleiders van de toen 15 EU-lidstaten gehoor aan deze oproep door de oprichting van het Europees Veiligheid- en Defensiebeleid (EVDB). Het EVDB voorzag in samenwerking en coördinatie op Defensiegebied, en kwam onder het GBVB te vallen. De regeringsleiders van de EU waren het erover eens dat de EU, naast de traditionele economische, financiële en diplomatieke instrumenten, in het geval van een crisis ook moest kunnen optreden met militaire middelen. In november 1999 kwam de Raad van Ministers voor het eerst in de geschiedenis van de EU bijeen in de samenstelling van de ministers van Buitenlandse Zaken én Defensie.

 

De St. Malo Top

De Frans-Britse top die in december 1998 in het Franse kustplaatsje St. Malo plaats vond, wordt gezien als het startpunt van echte militaire samenwerking op Europees niveau. Hoewel er tijdens deze top geen concrete afspraken zijn gemaakt en het alleen Brits-Franse samenwerking behelsde, betekende de top wel de aanzet tot de vorming van het EVDB, een jaar later. Het EVDB werd pas echt uitgewerkt bij de bijeenkomsten van de Europa Raad in Helsinki in 1999 en Nice in 2001, maar de aanzet hiertoe is zeker te herleiden tot de ontmoeting tussen de Britse en Franse leiders. Verder werd in St. Malo ook het initiatief genomen tot het oprichten van de EU Battlegroups en het Europees Defensie Agentschap (EDA). Deze ideeën zijn echter pas later uitgewerkt en worden uiteengezet in het volgende kader.

Daarnaast kwam er dankzij het Verdrag van Amsterdam (1999) een Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid. Deze functie werd de eerste tien jaar vervuld door de Spaanse politicus en voormalig Secretaris-Generaal van de NAVO, Javier Solana (zie afbeelding). De functie bestaat onder het Verdrag van Lissabon in licht gewijzigde vorm nog altijd, en wordt later verder toegelicht.

 


4.2 Het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB)

Om vredesoperaties uit te kunnen voeren nam EU de Petersbergtaken van de WEU over waardoor humanitaire missies, crisisbeheersingsoperaties en vredesafdwingende missies mogelijk werden.

 

Voor de uitvoering van het EVDB werden er binnen de EU speciale organen opgericht, zoals het Politiek en Veiligheidscomité en het Militair Comité. Ook besloot men tot de vorming van een Europese interventiemacht. In 1999 nam de EU het besluit dat het uiterlijk in 2003 beschikking zou moeten hebben over een troepenmacht van 60.000 militairen die binnen 60 dagen ingezet kon worden voor vredesoperaties die 1 jaar duren. Deze eenheden moesten zelfstandig kunnen optreden en beschikken over noodzakelijke inlichtingencapaciteiten, logistiek en ondersteunende diensten. Dit staat ook wel bekend als de Helsinki Headline Goal 1999.

 

Er ontstonden echter al vrij snel problemen rondom de toezeggingen van Europese lidstaten aan deze interventiemacht. De lidstaten mochten namelijk zelf beslissen of, welke en hoeveel eenheden zij hiervoor beschikbaar stelden. Daarnaast was er een groot kwaliteitsverschil tussen de verschillende krijgsmachten. Sommige krijgsmachten, zoals die van Nederland en Denemarken, zijn zeer professioneel, terwijl andere landen hun krijgsmacht nog moesten moderniseren. Hier bovenop kwam in 2003 de Amerikaanse invasie van Irak die de EU tot op het bot verdeelde, en wederom de onmacht van de EU toonde om een gemeenschappelijk buitenlands beleid te voeren.

 

Als reactie hierop ontwikkelde de EU onder leiding van HV Javier Solana de European Security Strategy (ESS), de eerste gezamenlijke Europese veiligheidsstrategie. Dit document inventariseerde alle mogelijke dreigingen waar de EU in de toekomst mee geconfronteerd zou kunnen worden, zoals terrorisme, de verspreiding van massavernietigingswapens, falende staten, regionale conflicten en georganiseerde misdaad. Uit dit rapport kwamen nieuwe taken voor het EVDB naar voren zoals ontwapening, ondersteuning bij de strijd tegen terrorisme en zogeheten Security Sector Reform (SSR). Dit laatste is onderdeel van de meer civiele kant van het EVDB en betreft ondersteuning bij de opbouw van instituties in een land, bijvoorbeeld de justitiële sector.

 

Het werd duidelijk dat de oorspronkelijke Helsinki Headline Goal 1999 niet meer toereikend was om al deze nieuwe dreigingen tegen te gaan. Daarom werd in 2003 de Helsinki Headline Goal 2010 vastgesteld. Hierbij kwam de nadruk te liggen op het formeren van meerdere en kleinere eenheden die in staat moesten zijn om tegelijkertijd verschillende missies uit te voeren overeenkomstig met de Petersberg- en ESS-taken. Hier werd de basis gelegd voor de EU Battlegroups en het Europees Defensie Agentschap (zie kader).

 

Tot op heden beschikt de EU nog niet over een Europese interventiemacht. Wel zijn in het kader van het EVDB de EU Battlegroups in het leven geroepen, waarover op de top in St. Malo al gesproken was.

 

Headline Goal 2010

In de eerste helft van 2004 kreeg het EVDB een steun in de rug met het aannemen van de "Headline Goal 2010" door de Europese ministers van Defensie. De Headline Goal 2010 (HG2010), bevatte het plan om EU Battlegroups (EU BGs) in te stellen en om het Europees Defensie Agentschap (EDA) op te richten. Door beide projecten moest het EVDB meer vorm en gewicht krijgen. Volgens de HG2010 moet de EU in 2010 snel, coherent en effectief kunnen reageren op alle mogelijke crises. Hiervoor moest de Europese militaire capaciteit sterk verbeterd worden. Een Europese militaire macht moest sneller inzetbaar en beter uitzendbaar worden en een veelvoud van taken kunnen uitvoeren.

 

EU Battlegroups

De EU Battlegroups zijn militaire formaties van ongeveer 1.500 militairen, plus logistieke ondersteuning en transport, die binnen 15 dagen worden ingezet. Een Battlegroup is de kleinste militaire eenheid die afzonderlijk kan opereren (dus zonder steun van andere eenheden). Een Battlegroup moet in staat zijn om een crisissituatie te stabiliseren in afwachting van een grotere crisisbeheersingsmacht. Dit zou dan maximaal 120 dagen moeten duren. In januari 2007 zijn de EU Battlegroups operationeel geworden. Hoewel grote landen als Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Italië en Spanje de meeste militairen leveren, spelen ook kleinere landen als Nederland en de Scandinavische landen een belangrijke rol bij de EU Battlegroups. Nederland vormt samen met Duitsland en Finland de “Battlegroup 107” en met het Verenigd Koninkrijk de “UK/Dutch multinational Battlegroup”.

 

Het Europees Defensie Agentschap

Het Europees Defensie Agentschap (EDA) krijgt vooral een belangrijke rol op het gebied van militaire capaciteitversterking. Hierbij moet je denken aan het op Europees niveau gezamenlijk inkopen van tanks, vliegtuigen en ander zwaar materieel. Het EDA moet de onderlinge samenwerking op militair gebied bevorderen en ervoor zorgen dat er meer eenheid komt in de Europese defensie-inspanningen. Het heeft verder taken op het gebied van materieelsamenwerking, technologisch onderzoek en de liberalisering van de Europese defensiemarkt.

Roulatieschema EU Battle Groups
2007 1e helft

- Frans-Belgische Battlegroup (onder bevel van Frankrijk)
- Battlegroup 107 (onder bevel van Duitsland)

2007 2e helft - Italiaans-Hongaars-Sloveense Battlegroup (onder bevel van Italië)
- Balkan Battlegroup (onder bevel van Griekenland)
2008 1e helft - Nordic Battlegroup (onder bevel van Zweden)
- Spaanse Battlegroup
2008 2e helft - Frans-Duitse Battlegroup (onder bevel van Duitsland)
- Britse Battlegroup
2009 1e helft - Spaans-Italiaanse amfibische Battlegroup (onder bevel van Italië)
- Griekse Battlegroup
2009 2e helft - Franse Battlegroup
- Belgische Battlegroup
2010 1e helft

- Battlegroup I-2010 (onder bevel van Polen)
- Brits-Nederlandse Battlegroup

  (onder bevel van het Verenigd Koninkrijk)

2010 2e helft

- Italiaans-Roemeens-Turkse Battlegroup (onder bevel van Italië)
- Spaans-Frans-Portugese Battlegroup

2011 1e helft - Battlegroup 107 (onder bevel van Nederland)
- Nordic Battlegroup (onder bevel van Zweden)
2011 2e helft - Eurofor (onder bevel van Portugal)
- Balkan Battlegroup (onder bevel van Griekenland)
2012 1e helft

- Frans- Belgisch-Luxemburgse Battlegroup

  (onder bevel van Frankrijk)

2012 2e helft

- Multinational Land Force (onder bevel van Italië)
- Duits-Oostenrijks-Tsjechisch-Iers-Kroatische Battlegroup

  (onder bevel van Duitsland)

2013 1e helft - Weimar Battlegroup (onder bevel van Polen)
2013 2e helft - Battlegroup 42 (onder bevel van het Verenigd Koninkrijk)

4.3 Het EVDB in de praktijk

Het opzetten van een raamwerk voor de coördinatie van missies bewees nog niet het Europees vermogen om in het buitenland op te treden voor de daadwerkelijke uitvoering van de Petersberg- en ESS-taken. Vooral Frankrijk wilde laten zien dat de EU onafhankelijk van de NAVO kon optreden. Deze kans kwam al in 2003 toen op verzoek van toenmalig secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, operatie Artemis werd gelanceerd. Deze operatie in Congo was de eerste zelfstandige EU-missie buiten Europa, en zoals onderstaande afbeelding laat zien volgden nog velen andere civiele en militaire EU-missies. Ondanks de relatief kleine omvang van de missie bewees dit wel dat de EU op militair en politiek vlak snel ver van huis kon ingrijpen.

 


4.4 Het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid en de NAVO

Sinds de ontwikkeling van het EVDB is de vraag gerezen of dit op termijn de NAVO irrelevant zou kunnen maken. Sinds 1949 is de NAVO het bondgenootschap geweest dat de veiligheid van Europa garandeerde, en tevens een belangrijke schakel vormde (en vormt) in de trans-Atlantische relatie. Tot op heden lijkt de NAVO nog altijd relevant naast het EVDB, ondanks de overlap in leden bij de NAVO en de EU.

 

De EU heeft zich met het EVDB ontwikkeld in een meer algeheel veiligheidsorgaan met zowel militaire als civiele componenten, terwijl de NAVO nog steeds gericht is op collectieve veiligheid. Daarnaast richten EU-missies zich voornamelijk op training, wederopbouw, ondersteuning bij verkiezingen ed., terwijl de NAVO (mede doordat de Verenigde Staten hier deel van uitmaken) meer in staat is om in het hoogste geweldsspectrum op te treden, zoals de militaire interventie in Libië recent nog heeft laten zien. Zonder hulp van de Amerikanen was die militaire interventie niet mogelijk geweest. De EU is (nog) niet in staat is om zelfstandig dit soort operaties uit te voeren.

 

De EU en de NAVO gingen ook samenwerken op het gebied van Defensie en sloten in december 2002 de Berlijn-plus akkoorden. Daarin werd overeengekomen dat de EU voor haar missies gebruik kon maken van de militaire capaciteiten van de NAVO. In dit kader werd ook EU-personeel ingedeeld bij het NAVO-hoofdkwartier in Brussel. De akkoorden betekenden in de eerste plaats de erkenning van het EVDB door de VS, die het van oudsher moeilijk had gehad met een zelfstandig Europees Defensiebeleid.

 

Daarnaast bood het van oorsprong Atlantisch gerichte lidstaten van de EU, zoals Nederland en het Verenigd Koninkrijk, de mogelijkheid om zich actief binnen het EVDB in te zetten. Ten slotte, bood het de VS ook een zekere mate van controle. Al in 2003 verving de EU de NAVO in de vredesmissie in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. Deze NAVO-EU-transitie en samenwerking verliep prima en de afspraken in Berlijn hadden duidelijk een positief resultaat.

 

De EU-NAVO samenwerking kwam na de Amerikaanse inval in Irak in 2003 echter onder druk te staan. Landen als Frankrijk, Duitsland en België waren tegen de invasie, terwijl het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Denemarken en veel Oost-Europese landen de invasie politiek en/of militair steunden. Hierdoor ontstond niet alleen een scheur tussen de EU en de NAVO, maar ook binnen de EU zelf. Ook ontstond er argwaan bij de Amerikanen richting de continentaal gerichte Fransen en Duitsers, en waren ze bang dat deze twee landen middels het EVDB de NAVO wilden ondermijnen.

 

Echter met het aantreden van nieuwe politieke leiding in Duitsland met Angela Merkel (2005), Frankrijk met Nicolas Sarkozy (2007), het Verenigd Koninkrijk met Gordon Brown (2007) en Barack Obama (2008) in de Verenigde Staten, is het onderlinge wantrouwen dat na 2003 ontstond deels verdwenen en begon er een nieuw tijdperk in de EU-NAVO-betrekkingen. Stappen hiertoe werden gezet met de Franse aankondiging om weer deel uit te maken van de geïntegreerde NAVO-bevelsstructuur in 2009, en het opzetten van onder andere een EVDB-politiemissie in Afghanistan, naast de al bestaande ISAF-missie van de NAVO. Toch is er ook overlap tussen beide organisaties. Een voorbeeld hiervan is de antipiraterijmissie voor de kust van Somalië.

 


Vragen

 

Vraag 9

Geef met argumenten aan of je het eens of oneens bent met de volgende stelling: "De EU hoeft in vredesoperaties geen zelfstandige rol te spelen, want zij kan hiervoor altijd een beroep doen op de NAVO".

 

Vraag 10

Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de lidstaten van de EU en de NAVO. Er zijn landen die wel lid zijn van de NAVO en niet van de EU en vice versa. Zoek uit welke landen dit zijn. Waarom is Cyprus wel lid van de EU en niet van de NAVO en waarom Noorwegen wel lid van de NAVO, maar niet van de EU?

 

  Alleen EU-lid

  Alleen NAVO-lid

  Lid van beide organisaties


Ga terug naar de Inhoudsopgave

 

Ga door naar Hoofdstuk 5: Europese veiligheid: nu en in de toekomst

 

(c) 2006 - 2018, Atlantische Commissie | Realisatie: Kant en Klare Site.