De NAVO
Column: Weerbaarheid als boardroom-hobby
De weerbaarheidsagenda viert schijnsuccessen, terwijl Defensie’s echte problemen blijven liggen
Het diner in Soesterberg afgelopen zondag had alles wat je van een geslaagd corporate event mag verwachten. Historische vliegtuigen aan het plafond, bankiers en consultants aan lange tafels, en staatssecretaris Gijs Tuinman (BBB) die Rabobank, KPMG en Euronext bedankte voor hun ‘inzet op het gebied van reservisten’. De motor van een weerbaar Nederland draait harder dan ooit, zo klonk het trots.
Wat opvalt is niet alleen wat er wordt gezegd, maar vooral wat er niet wordt besproken. Terwijl de bruine puntschoenen van consultancy-land werden getrakteerd op defensie-catering, blijft onbeantwoord waarom de krijgsmacht ondanks de miljoenen aan wervingsinvesteringen nóg altijd krimpt: uit de laatste Stand van Defensie blijkt dat de gereedstelling daalt.
Het antwoord is deels te vinden in de gastenlijst van het diner. De werkgevers die worden gehuldigd komen allemaal uit sectoren met hoger opgeleiden en illustreert de kern van de Nederlandse weerbaarheidsagenda. Het is een hobby voor mensen die er al lekker warmpjes bij zitten, zonder dat daadwerkelijke kwetsbaarheden worden aangepakt.
Ondanks het zingen van een ander politiek deuntje is de problematiek nog altijd hetzelfde als onder de ministers Hennis, Bijleveld en Ollongren: Defensie heeft handjes nodig: More indians, less chiefs. Van de 13.000 sollicitaties voor reservistenprogramma’s gaat minder dan 15% daadwerkelijk aan de slag, zo berichtte nu.nl laatst. De doelstellingen van Defensie zijn botweg niet te realiseren maar ondertussen draait de PR-machine volle toeren, compleet met dankjewel-dinertjes voor corporate partners.
Tegelijkertijd overwoekert het maakbaarheidsdenken de weerbaarheidsagenda. De obsessie met individuele noodpakketjes en persoonlijke voorbereiding botst frontaal met wat onderzoek leert over de rol van gemeenschappen in crisistijd. De totaal uit de lucht gegrepen aanname dat een weerbare samenleving ook militair afschrikt, blijft stug herhaald worden (in de hoop dat het op een gegeven moment vanzelf waar wordt). Zogenaamde ‘best practices’ uit Finland en Zweden worden gekopieerd, maar wél voorzien van de Nederlandse vrijblijvendheid (en dan alsnog beteuterd zijn als jongeren – grutjes – amper een enquête invullen).
Zeker, het is makkelijker om mensen te vertellen dat ze een noodpakketje aan moeten schaffen dan zelf met een clipboard langs je vitale infrastructuur gaan om te kijken hoe alles erbij hangt (en welke delen in Chinese handen zijn, om maar iets te noemen). Het is makkelijker om het ‘D-woord’ (dienstplicht) te vermijden en een groei van 100.000 reservisten proberen te manifesteren door het heel vaak in reels te roepen – een onvermijdelijke bijwerking van een ministerie dat teveel op Instagram rondhangt.
En terwijl iedereen elkaar feliciteert tijdens diners in vliegtuigmusea, blijven de daadwerkelijke kwetsbaarheden (tekorten aan vakpersoneel, falende centrale systemen, sociale versnippering) grotendeels onaangeroerd. Deze hete hangijzers zijn minder fotogeniek. Ze gaan waarschijnlijk gepaard met politiek pijnlijke hervormingen en het onder ogen zien van een reeks inconvenient truths. Maar hoe kun je verwachten een samenleving weerbaar te krijgen, als je zelf politiek de vingers in de oren stopt, heel hard lalala-personeelsgroei-lalalaa-we-zijn-lekker-bezig-lalala roept, marcherend over de weg van de minste weerstand?
Een serieuze weerbaarheidsagenda zou beginnen met een eerlijke inventarisatie van waar we daadwerkelijk kwetsbaar zijn en wat er bewezen werkt om die kwetsbaarheden te adresseren. En vooral: stoppen met het vieren van schijnresultaten in vliegtuigmusea terwijl de echte problemen onopgelost blijven. Want de enige weerbaarheid die burgers nu nodig hebben, is die tegen een politieke en militaire elite die teveel in haar eigen PR gelooft.