Atlantisch Perspectief
Vrede als een transactie?
Deel III van de artikelserie 'Denken over Vrede'
Vier jaar na de grootschalige Russische invasie in Oekraïne is een oplossing voor het conflict nog altijd niet in zicht. Een vredesakkoord is niet alleen nodig voor de Oekraïense bevolking, maar ook voor de bredere veiligheid van Europa. In deze serie buigen diverse deskundigen zich over de vraag wat rechtvaardige en duurzame vrede is en wat er nodig is om ook op lange termijn stabiliteit te bereiken. Deze week: Fleur Ravensbergen over het belang van vredesbemiddeling.
Vredesonderhandelingen en -bemiddeling beleven paradoxaal genoeg hoogtijdagen in een periode waarin vrede zelf steeds minder vanzelfsprekend is. Gewelddadige conflicten nemen toe, onderhandelde uitkomsten blijven vaak oppervlakkig en politieke belangen lijken steeds vaker zwaarder te wegen dan duurzame oplossingen. Wordt vrede vandaag nog nagestreefd als doel op zich, of wordt het vooral ingezet als instrument om tijd te winnen, druk te neutraliseren en macht te consolideren?
Voor mij is dit geen abstracte vraag. Sinds 2008 werk ik als vredesbemiddelaar in gewapende conflicten, aanvankelijk vanuit een NGO die ik mede oprichtte en inmiddels als onafhankelijke adviseur, zie ik van dichtbij hoe sterk het veld is veranderd.
Een veranderend speelveld
Die verandering kan niet los worden gezien van het afbrokkelen van de Pax Americana, de op regels gebaseerde orde onder Amerikaans leiderschap. Het normatieve kader waarin vredesprocessen lange tijd functioneerden staat onder druk en schuift zichtbaar op. Multilaterale instituties verliezen gezag, het handelen naar gedeelde waarden wordt selectiever, grenzen aan oorlogsvoering vervagen en machtspolitiek wint terrein. Dat heeft directe gevolgen voor de manier waarop vrede wordt nagestreefd en vormgegeven.
Tegelijkertijd bereikt het aantal gewapende conflicten wereldwijd een historisch hoogtepunt, terwijl gericht geweld tegen burgers toeneemt. Werken aan vrede is daarmee misschien wel urgenter dan ooit. En tegelijkertijd is het ook moeilijker, onvoorspelbaarder en politiek meer beladen.
Vrede in vogue
De laatste jaren worden er opvallend veel internationale initiatieven, topontmoetingen en bilaterale gesprekken gepositioneerd als vredesprocessen rond oorlogen zoals die in Oekraïne en in het Midden-Oosten.
In de week van schrijven staan bijvoorbeeld trilaterale vredesonderhandelingen tussen Oekraïne, Rusland en de Verenigde Staten gepland in Abu Dhabi, waar de delegaties wederom praten over mogelijkheden om het geweld te stoppen. Tegelijkertijd worstelt men elders met ´fase 2´ van het staakt-het-vuren in Gaza, terwijl sinds fase 1 al meer dan 400 Palestijnen omkwamen door Israëlische aanvallen.
Landen, NGO’s en internationale organisaties doen een beroep op vredesbemiddeling in uiteenlopende contexten. Soms gaat het om bescheiden doelen als de-escalatie, soms om ambitieuzere inzet richting een staakt-het-vuren of ontwapening. De uitkomsten verschillen sterk: van tijdelijke stabilisatie, zoals ik zag in Irak tijdens de opkomst van IS, tot daadwerkelijke ontwapening, zoals ik meemaakte in Baskenland en Noord-Ierland. Maar minstens zo vaak stranden initiatieven of blijven ze steken in halve successen.
De toegenomen belangstelling voor vredesbemiddeling komt dan ook minder voort uit optimisme over vrede, dan uit zorgen over een instabiel internationaal systeem, dreigende escalatie en afnemend vertrouwen in multilaterale ordening.
Wanneer deals sneller zijn dan vrede
Het is ook opvallend hoe vredesprocessen er tegenwoordig uitzien: publiek, zichtbaar, sterk gepersonaliseerd en vaak geleid door bemiddelaars met duidelijke eigen belangen en ‘skin in the game’. Neutraliteit, onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid en vrijwilligheid zijn in mijn werk nooit absoluut geweest, maar ze boden wel richting en houvast. In de huidige praktijk zien we vaker dat zogeheten ‘rijpheid’- het moment waarop een conflict klaar zou zijn voor bemiddeling – niet wordt afgewacht, maar actief wordt afgedwongen door druk, asymmetrie en macht.
Jaren geleden bemiddelde ik bij een ontwapening in Noord-Ierland. Een strikte deadline in de vredesovereenkomst zorgde ervoor dat een kleine groep zich op het nippertje ontwapende, mede om te voorkomen dat er forensisch onderzoek kon plaatsvinden op de ingeleverde wapens. Maar er was toen nog geen structurele ondersteuning voor deze groep en hun omgeving, bijvoorbeeld op het gebied van armoedebestrijding, buurtwerk of politieke training. De wapens verdwenen, maar het probleem niet. Al snel verzandde een deel van de groep in criminele activiteiten, met alle negatieve gevolgen voor de lokale gemeenschap.
Deze ervaring laat zien hoe tactische successen zonder structurele verankering fragiel blijven. Wat op papier een doorbraak lijkt, kan in de praktijk het begin zijn van nieuwe problemen. Precies dat benadrukt ook de veelheid aan literatuur over transactionele diplomatie: snelle deals kunnen zichtbaarheid en onderhandelingsmacht opleveren, maar zonder institutionele steun of bredere legitimiteit slagen ze er zelden in duurzame vrede te creëren.
In een wereld waarin de Verenigde Staten onder Trump expliciet kiezen voor transactionele buitenlandse politiek, vertaalt dit zich in vredesdiplomatie die inzet op snelle, zichtbare deals en het beperken van risico’s, waarbij het eigenbelang van de bemiddelaar nadrukkelijk meespeelt. Vrede wordt daarbij primair opgevat als een overeenkomst om geweld te stoppen, terwijl vragen over legitimiteit, duurzaamheid en structurele oorzaken naar de achtergrond verdwijnen.
Dik en dun transactionalisme
Dit is in de kern te begrijpen als een verschuiving van ‘dik’ naar ‘dun’ transactionalisme. Waar transacties in vredesbemiddelingen eerder vaak werden ingebed in bredere afspraken over veiligheid, toezicht en politieke toekomst, domineren nu korte-termijnafspraken gericht op stabilisatie. Het onderscheid dat ik hier maak is analytisch bedoeld, niet normatief: dunne deals kunnen wel degelijk levens redden en escalatie beperken, maar slagen er zelden in om een conflict duurzaam te beëindigen.
De uitkomsten van dun transactionalisme blijven meestal beperkt tot wat Johan Galtung ‘negatieve vrede’ noemt: de afwezigheid van direct geweld. Positieve vrede, met elementen van rechtvaardigheid en transformatie, blijft in eerste instantie vrijwel altijd buiten bereik. Toch kan er soms meer ontstaan dan vooraf wordt beoogd. Zo zag ik in een regio in Irak hoe beperkte afspraken over lokaal bestuur op termijn toch gedeeld bestuur tussen gemeenschappen mogelijk maakten. Zulke voorbeelden zijn uitzonderingen en geen basis voor beleid, maar ze laten zien dat dunne transacties soms kunnen worden verdikt, mits daar bewust ruimte voor wordt gemaakt en actief naartoe wordt gewerkt.
Vredesprocessen zonder rijpheid
Klassieke theorieën over rijpheid helpen verklaren wanneer vredesprocessen kansrijk zijn, maar in de praktijk worden tegenwoordig ook deals gesloten zonder wederzijdse impasse of een duidelijke waardige uitweg. Dat vergroot het risico dat onderhandelingen vooral plaatsvinden onder asymmetrische druk, waarbij de sterkere partij weinig hoeft in te leveren en de zwakkere partij onder druk wordt gezet om concessies te doen.
De huidige gesprekken rond Oekraïne illustreren dit patroon. Ondanks allerlei zichtbare diplomatieke activiteit ligt de Amerikaanse druk voornamelijk bij Kyiv, blijven structurele veiligheidsvragen onbeantwoord en opereert Europa grotendeels vanaf de zijlijn. Dat Europa hier vooral toekijkt is geen noodlot, maar het resultaat van jarenlang uitgesteld strategisch handelen en een te traag ontwaken voor een fundamenteel veranderende internationale orde.
Europa tussen nostalgie en noodzaak
Dit roept een ongemakkelijke vraag op: wat blijft er over van vredesbemiddeling als vrede wordt gereduceerd tot een transactie, los van legitimiteit en duurzaamheid? Voor Europa is dit geen abstract debat, maar een strategische urgentie. Vasthouden aan het idee dat de oude trans-Atlantische orde vanzelf terugkeert, betekent de ogen sluiten voor een wereld die al fundamenteel is veranderd. Het verlamt Europa precies op het moment dat het ingrijpend en collectief moet handelen richting strategische autonomie om overeind te blijven – zowel qua waarden als qua veiligheid.
Voor de nostalgici onder ons: Engagement met de Verenigde Staten blijft uiteraard essentieel, maar vereist een andere houding: duidelijkere grenzen, meer autonomie en de bereidheid de kosten hiervan te dragen.
Wat blijft er over van vrede?
In een tijd van hoge dreiging, veel oorlog en steeds meer burgerslachtoffers, is vrede als transactie verleidelijk. De urgentie is hoog en transactionele oplossingen zijn helder, sneller en meetbaar. In veel contexten is tijdelijke stabilisatie bovendien beter dan niets. Maar wanneer transactioneel denken het eindpunt wordt in plaats van het begin, dan verdwijnt niet alleen positieve vrede uit beeld, zelfs negatieve vrede wordt dan onzeker.
De uitdaging in de huidige wereldorde is daarom niet om dun transactionalisme af te wijzen, maar om het te herkennen als startpunt en doelbewust te verdikken. Dat vraagt realisme over macht en belangen, zonder de illusie dat waarden vanzelf volgen zodra het geweld stopt. Tegelijk vereist het de bereidheid fundamentele waarden te blijven verdedigen, ook wanneer dat politieke of economische kosten met zich meebrengt.
Wie in deze tijd meer belooft dan dit, verwart vrede misschien met wensdenken. Maar wie genoegen neemt met steeds dunnere deals, moet onder ogen zien dat de tijdelijke rust steeds korter duurt en dat vredesbemiddeling dan niet langer een weg uit geweld is, maar er slechts omheen beweegt.