Atlantisch Perspectief
Vrede als capaciteit
Stabiliteit is niet hetzelfde als vrede
Stabiliteit is niet hetzelfde als vrede. Dat wordt duidelijk als we vrede niet als een toestand opvatten, maar eerder als het vermogen om met druk, onzekerheid en frictie om te kunnen gaan.
Conflicten dienen zich zelden werkelijk onverwacht aan. Spanningen bouwden zich op, instituties begonnen te schuren, besluitvorming werd trager of minder consistent. Het gebeurde in mijn duty station Gori, toen ik daar in 2008 als waarnemer werkte tijdens de Russisch-Georgische oorlog. Ik zag het voor mijn ogen gebeuren, in de stad Donetsk, toen ik daar vanaf 2014 als OVSE-waarnemer geplaatst was.
Ik maakte het mee in 2021 in de hoofdstad van Afghanistan tijdens de weken voorafgaand aan de val van Kaboel. En ook in Ramallah zag ik soortgelijks, toen de druk op de Palestijnse veiligheidstroepen in 2024 steeds hoger werd. Instituties kraakten in hun grondvesten, vielen bijna en uiteindelijk deels geheel om.
Wie uiterst nauwgezet kijkt kan een crisis dus zien aankomen. En toch voelen crises vaak als een verrassing. Niet omdat ze uit het niets ontstaan, maar omdat we ze te laat als zodanig herkennen. We vertrouwen te lang op uiterlijke indicatoren die ons geruststellen, maar die weinig zeggen over wat er onder de oppervlakte gebeurt.
Wanneer stabiliteit begint te misleiden
Tegen de tijd dat instabiliteit zichtbaar wordt, wanneer spanningen escaleren en systemen beginnen te haperen, is de ruimte om nog wezenlijk bij te sturen al beperkt. Dan verschuift de aandacht onvermijdelijk van voorkomen naar beheersen. Van oorzaken naar gevolgen. Het is deze verschuiving die zichtbaar maakt dat ons begrip van stabiliteit aanvulling nodig heeft.
Wat wij doorgaans als stabiliteit beschouwen, blijkt bij nadere beschouwing vaak niet meer dan een tijdelijk evenwicht. Een fase waarin onderliggende krachten elkaar nog net in balans houden, zonder dat de spanning daadwerkelijk is verdwenen. Die spanning blijft aanwezig, vaak zelfs toenemend, maar wordt niet altijd herkend zolang de zichtbare structuren blijven functioneren.
Het falen vóór het falen zichtbaar wordt
Daarmee wordt stabiliteit een misleidende maatstaf voor veiligheid. Staten en samenlevingen falen zelden op het moment dat instabiliteit zich openlijk manifesteert. Het falen begint eerder, in een fase die minder zichtbaar en moeilijker te duiden is. In die periode functioneren instituties nog, maar verliezen zij geleidelijk hun vermogen om druk te absorberen, om spanningen te kanaliseren en om samenhang te behouden. Besluitvorming wordt stroever, coördinatie minder vanzelfsprekend en vertrouwen minder robuust. Het zijn subtiele verschuivingen, maar met grote gevolgen.
Veel analyses van vrede en veiligheid richten zich begrijpelijkerwijs op de zichtbare breuklijnen. Escalatie, conflict en crisis trekken de aandacht, en terecht. Andere benaderingen leggen de nadruk op diplomatieke inspanningen, normatieve kaders en historische ontwikkelingen. Ook dat zijn waardevolle perspectieven. Wat deze benaderingen echter vaak delen, is een impliciete aanname dat vrede en stabiliteit in de eerste plaats als uitkomsten moeten worden begrepen. Daarmee blijft onderbelicht wat eraan voorafgaat: het vermogen van systemen om spanning te dragen voordat deze omslaat in ontwrichting.
Het is juist daar dat een andere benadering behulpzaam wordt. Vrede kan beter worden begrepen als een capaciteit dan als een toestand. Niet als een eindpunt dat bereikt en vervolgens behouden moet worden, maar als een voortdurend vermogen om met druk, onzekerheid en frictie om te kunnen gaan. Een vermogen dat zich niet pas bewijst wanneer het misgaat, maar juist in de fase daarvoor.
Instituties als dragende structuur
Vanuit dit perspectief verschuift de aandacht. Niet langer staan alleen gebeurtenissen centraal, maar vooral de structuren en processen die bepalen hoe systemen reageren wanneer zij onder druk komen te staan. Vrede wordt daarmee minder een normatief eindbeeld en meer een analytisch instrument. Een manier om te begrijpen hoe robuust en adaptief een systeem daadwerkelijk is.
Binnen internationale kaders wordt al langer erkend dat sterke instituties essentieel zijn voor duurzame vrede. Toch wordt dit inzicht nog te vaak primair geplaatst in het domein van ontwikkeling, terwijl de veiligheidsdimensie, binnen de hard security, minstens zo belangrijk is. Instituties vormen immers de dragende structuur van veiligheid. Zij bepalen niet alleen de legitimiteit van een systeem, maar vooral of dat systeem onder druk coherent blijft functioneren. Dat is inclusief de veiligheidsinstituties zoals de krijgsmacht, het politieapparaat, inlichtingendiensten, en ook de militaire ombudsman en toezichthoudende instituties (checks & balances, oversight).
De kracht van verbinding
Dat geldt zo voor civiele structuren, maar dus evenzeer voor militaire organisaties én de verbindingen daartussen, het civiel-militaire domein. Juist waar die samenhang goed is ontwikkeld, waar informatie wordt gedeeld, waar besluitvorming op elkaar aansluit en waar men gewend is gezamenlijk te opereren, blijkt dat systemen beter in staat zijn om spanning op te vangen. Daar ontstaat een vorm van veerkracht die verder gaat dan afzonderlijke capaciteiten. Het is de kwaliteit van die verbindingen die het verschil maakt.
In een veiligheidsomgeving die steeds complexer wordt, met hybride dreigingen, wankele niveaus van waarachtigheid van informatie, snelle technologische ontwikkelingen en verschuivende geopolitieke verhoudingen, neemt het belang van die samenhang alleen maar toe. Klassieke noties van robuustheid blijven relevant, maar zijn op zichzelf niet voldoende. Weerstand tegen verstoring is belangrijk, maar wanneer verstoring structureel wordt, is ook het vermogen om mee te bewegen noodzakelijk.
Veerkracht als ontwerpprincipe
Democratische instituties mogen hier lijken op aardbevingsbestendige gebouwen zoals je die ziet in Japan: ze zijn niet ontworpen om schokken te voorkomen, maar om ze op te vangen. Net zoals Japanse wolkenkrabbers meebuigen wanneer de grond trilt, moeten rechtbanken, parlementen, vrije media, colleges, ombuds offices, krijgsmachten, ministeries, kiesraden, wet- en orde-handhavers en zo verder flexibel genoeg zijn om politieke druk, populisme en crises te absorberen zonder te breken. Hun kracht zit niet in starheid, maar in veerkracht: gecontroleerde beweging, ingebouwde demping en meerdere lagen van bescherming. Wanneer de schokken komen – en die komen in zowel vredes- als oorlogstijd – is het niet de afwezigheid van stress die bepaalt of het systeem standhoudt, maar de kwaliteit van het ontwerp.
Adaptief vermogen wordt daarmee een kernkwaliteit. Organisaties en systemen die in staat zijn hun eigen kwetsbaarheden te herkennen, die leren van verstoringen en die zich tijdig aanpassen, zijn beter bestand tegen de langdurige druk die komt kijken bij de lange adem. Dat vraagt om oefening, om reflectie en om samenwerking over institutionele grenzen heen. Het vraagt ook om een cultuur waarin leren en aanpassen niet als zwakte worden gezien, maar als voorwaarde voor effectiviteit. Een cultuur waarin ook transparantie en hulp geboden worden.
Juist hier ligt een strategische uitdaging. Traditionele indicatoren van veiligheid registreren vooral wat zichtbaar is geworden. Zij meten stabiliteit als uitkomst en signaleren verandering vaak pas wanneer deze zich al heeft gemanifesteerd. Een benadering die uitgaat van capaciteit richt zich daarentegen op functioneren onder druk. Zij kijkt naar de kwaliteit van besluitvorming, de snelheid van coördinatie, het vermogen om informatie te verwerken en het vertrouwen dat instituties weten vast te houden wanneer omstandigheden verslechteren.
Een continuüm van veerkracht en kwetsbaarheid
Wanneer veiligheid op deze manier wordt benaderd, verdwijnt het scherpe onderscheid tussen stabiel en instabiel. In plaats daarvan ontstaat een continuüm waarin systemen zich op verschillende niveaus van veerkracht en kwetsbaarheid bevinden. Sommige systemen blijken in staat om aanzienlijke druk te absorberen zonder hun samenhang te verliezen, juist omdat zij beschikken over leervermogen en interne consistentie. Andere systemen vertonen een meer geleidelijke erosie, waarbij instituties formeel intact blijven, maar hun effectiviteit afneemt en hun legitimiteit onder druk komt te staan.
Deze variatie maakt duidelijk dat veiligheid niet wordt bepaald door de afwezigheid van spanning, maar door de kwaliteit van de mechanismen die met spanning omgaan. Vrede wordt in dat licht een dynamisch evenwicht, exuilibrium, dat voortdurend onderhoud en aanpassing vereist.
Veiligheid als gedeelde capaciteit
Voor de praktijk van beleid, strategie en tactiek betekent dit dat investeren in institutionele kwaliteit van bijvoorbeeld veiligheidsinstellingen moet worden begrepen als een integraal onderdeel van veiligheid. De kwaliteit van besluitvormingsprocessen, de mate van samenhang tussen actoren en het vermogen om onder druk te blijven functioneren zijn bepalend voor de effectiviteit van elk veiligheidsinstrument.
Daarnaast vraagt deze benadering om een verbreding van de manier waarop veiligheid wordt gemeten en beoordeeld. Naast traditionele maatstaven moeten ook aspecten als adaptiviteit, leervermogen en prestaties onder druk systematisch worden meegenomen. Dit impliceert een andere omgang met onzekerheid, waarin niet alleen wordt gekeken naar risico’s die zich al hebben gemanifesteerd, maar juist naar de ontwikkeling van capaciteit in de tijd.
Ten slotte onderstreept deze benadering dat veiligheid in essentie een gedeelde opgave is. Zij ontstaat in de verbinding tussen systemen, in de mate waarin samenwerking mogelijk is en in de kwaliteit van de relaties die onder druk standhouden. Waar militaire en civiele structuren elkaar weten te vinden, waar interoperabiliteit geen abstract begrip is maar dagelijkse praktijk, en waar gezamenlijke voorbereiding leidt tot gezamenlijk begrip, ontstaat een vorm van capaciteit die verder reikt dan de som der delen en die sterker is dan de tand des tijds.
Referenties (selectie)
Foto: OSCE/Evgeniy Maloletka
North, D.C., Wallis, J.J. & Weingast, B.R. (2009), Violence and Social Orders. Cambridge University Press.
World Bank (2025), World Development Report 2025: Security and Development.
Institute for Economics & Peace (2025), Global Peace Index 2025.
KLTZ (SD) drs. Caecilia Johanna van Peski (1970) is officier bij de Koninklijke Marine met ervaring in civiel-militaire samenwerking, diplomatie en rechtsstaatontwikkeling in meer dan 30 (post-)conflictgebieden. Zij is Fellow aan het Baker Institute for Peace & Conflict Studies, affiliate van het SAMPOL Instituut aan de Universiteit van Bergen, UN Senior Women en lid van de Board of Excellencies van de Oxford Diplomatic Society. www.vanpeski.org