Atlantisch Perspectief
Macht, moraal en religie
Door realisme enkel te vertalen als het denken in termen van macht doen we Hans Morgenthau, de belangrijkste grondlegger ervan, tekort
Het klassieke politieke realisme stelt dat staten handelen uit eigenbelang, gericht op macht en overleving, in een anarchistisch wereldstelsel zonder overkoepelend gezag. Maar het inzicht dat niet alleen machtsdenken, maar bijvoorbeeld ook religie onmisbaar is om de wereld te begrijpen vinden we al bij Hans Morgenthau, de belangrijkste grondlegger van de theorie.
Een van de dingen die het realisme zo populair maakt is dat het in versimpelde vorm tot de verbeelding spreekt. De theorie lijkt terug te brengen tot slogans als might is right. Veel handboeken dragen hieraan bij. Neem bijvoorbeeld het klassieke realisme van Hans Morgenthau (1904-1980). Morgenthau was een politiek filosoof van Joodse afkomst die uit Nazi-Duitsland naar de Verenigde Staten was gevlucht. Hij werd met name beroemd vanwege zijn boek Politics Among Nations uit 1949. Dit boek werd jarenlang hét standaardhandboek aan opleidingen in internationale betrekkingen in de Verenigde Staten.
Het werk van Morgenthau heeft generaties studenten beïnvloed en daarmee ook beleidsmakers en politici. Maar ook hier geldt dat velen hem nooit zelf hebben gelezen of enkel selectief. Zo zijn er veel mensen die Morgenthau claimen als een might-is-right-politicus. Zie bijvoorbeeld het recente artikel in The National Interest waarin wordt beweerd dat Stephen Miller, een van de invloedrijkste adviseurs van president Trump, voortbouwt op Morgenthau’s gedachtegoed.
Genegeerde schrijfsels
Nu is het inderdaad mogelijk om Morgenthau op deze manier te lezen. Sommige mensen hebben ook gezegd dat Morgenthau aanvankelijk wel zo dacht omdat hij zich verzette tegen al te idealistische politiek. Pas later, als gevolg van de cynische en realistische doorvertaling van zijn denken in het Amerikaanse buitenlandse beleid, ging hij meer aandacht besteden aan het belang van moraal. Maar het is veel aannemelijker dat Morgenthau al vanaf het begin beide zaken bij elkaar hield en dat een pure might-is-right-lezing alleen mogelijk is als je veel van zijn schrijfsels negeert of verkeerd interpreteert.
Om bovenstaande punt te illustreren, spreekt onderstaand citaat van Morgenthau boekdelen. Het is afkomstig uit zijn zes principes van politiek realisme die hij later als eerste hoofdstuk heeft toegevoegd aan Politics Among Nations. Het citaat is het begin van zijn uitleg van zijn vierde principe:
“Political realism is aware of the moral significance of political action. It is also aware of the ineluctable tension between the moral command and the requirements of successful political action. And it is unwilling to gloss over and obliterate that tension and thus to obfuscate both the moral and the political issue by making it appear as though the stark facts of politics were morally satisfying than they actually are, and the moral lawless exacting than it actually is.”
Geen verlichtingsdenker
Wat gebeurde ten aanzien van macht en realisme vond ook plaats aan de universiteiten en in het vakgebied internationale betrekkingen ten aanzien van religie en realisme. Het onderwerp religie, al dan niet in combinatie met realisme, werd jarenlang genegeerd. Zelfs na de aanslagen van 11 september 2001 stond het thema niet in de syllabi van de cursussen aan de universiteit. Belangrijke oorzaken hiervan zijn opnieuw een onzorgvuldige of onvolledige lezing van politieke realisten zoals Morgenthau. Veel wetenschappers zagen Morgenthau als verlichtingsdenker, een positivist, een aanhanger van de moderniseringstheorie en dus speelde religie voor hen geen grote rol in zijn denken.
Maar wie Morgenthau goed bestudeert, ziet dat hij helemaal geen verlichtingsdenker was die religie als overbodig zag. Hij was geen aanhanger van de moderniseringstheorie en ook geen positivist of materialist. Sterker nog, als je zijn werken doorneemt, blijkt dat hij best veel over religie schrijft en zich juist kritisch uitlaat over de Verlichting en het positivisme. Hoe kan dit? Omdat mensen de primaire bronnen niet lezen, afgaan op citaten, individuele denkers op een hoop gooien en niet echt hun best doen om denkers te begrijpen. Als je dat wel doet, blijkt dat Morgenthau een veel dieper denker is dan veel mensen weten. Hij heeft goede redenen om religie serieus te nemen, maar tegelijkertijd is hij voorzichtig om deze twee domeinen al te zeer op elkaar te betrekken.
Augustinus
Morgenthau is beïnvloed door een politieke theologie – het domein dat de relatie tussen religieuze overtuigingen en politieke vraagstukken onderzoekt – die sterk gestempeld is door de kerkvader Aurelius Augustinus (354-430). In die traditie is er schroom en terughoudendheid om religie al te direct te betrekken op de politiek. Waarom? Omdat dit niet goed is voor religie en ook niet voor de politiek. Als religie al te verweven raakt met de politiek, ligt het gevaar op de loer dat het corrumpeert. Als politiek te dicht op religie kruipt, dreigt het risico dat het hemelse zaken gaat beloven of nastreven die ze niet kan waarmaken en dreigt de hel op aarde. Om deze mogelijke corrumpering of verstrengeling van religie en politiek te duiden, maakt Morgenthau onderscheid tussen religie en de ideologische vervormingen ervan.
In Morgenthau’s denken kan religie het politieke handelen beïnvloeden door de wereldbeelden die mensen aanhangen en omdat het de basis is van veel morele oriëntaties. Een politieke analyse of politiek beleid moet zich echter richten op het rationele principe van het nationale belang. Religie is één van de vele factoren die politieke uitkomsten kunnen beïnvloeden, maar het dient ondergeschikt te blijven aan de autonomie van het politieke domein. In dat domein geldt: het nationale belang wordt gedefinieerd door macht.
Macht én moraal is nodig
De consequenties van het voorgaande zijn dat toekomstige leiders, politici, diplomaten, ambtenaren en beleidsmakers zijn opgeleid die een vertekend beeld hebben van het realisme en geen flauw benul van religie. Dat leidt tot twee problemen: of al deze mensen zijn gaan werken vanuit een cynisch realisme: alleen macht doet ertoe, en daarom is dat ons kompas. Of ze hebben het realisme verworpen als a-moreel en zijn daarom niet realistisch gaan denken. En dat terwijl we in de huidige wereldorde macht en moraal nodig hebben.
Ten aanzien van religie geldt het probleem dat men geen goed idee heeft van wat religie precies inhoudt en dus religieuze geletterdheid ontbreekt. Daardoor vervalt men gemakkelijk tot (liberale) clichés ten aanzien van religie. Bijvoorbeeld dat het inherent gevaarlijk en een potentiële conflictstof is, en daarom iets van de privésfeer moet zijn.
Een andere veelvoorkomende benadering is dat religie iets is wat mensen erbij halen om andere politieke en economische doelen na te streven. Dat religie voor het overgrote deel van de mensheid een factor is die voor veel aspecten van hun leven allesbepalend is, wordt dan een lastig verhaal. Dan moet president Poetin het niet echt menen als hij zegt dat hij een heilige oorlog voert, en zijn christenen in de Verenigde Staten ‘helemaal gek geworden’. In Afrika is religie dan vooral iets wat mensen ter plaatse goed kunnen gebruiken, want dat geeft dan bijvoorbeeld nog een bepaalde (infra)structuur voor zorg en onderwijs en het biedt mensen hoop op een betere wereld in miserabele omstandigheden. Maar wat als religie voor mensen daadwerkelijk hét kompas is om te bepalen wat goed en schoon is in alle domeinen van het leven?
Particuliere initiatieven
Toen rond het begin van het jaar 2000 zichtbaar werd bij beleidsmakers en wetenschappers dat religie binnen de internationale betrekkingen een genegeerd onderwerp was, heeft men dat in de Verenigde Staten voortvarend aangepakt. Daarin onderscheidt Amerika zich positief van Europa. Binnen no-time werden er centra opgericht aan universiteiten waar de rol van religie expliciet aandacht kreeg. Grote fondsen zoals, de Henry Luce Foundation en de Templeton Foundation, hebben daar een belangrijke rol in gespeeld. Zij boden universiteiten en wetenschappers de mogelijkheid om aanvragen te doen voor het ontwikkelen van cursussen, summerschools, handboeken, conferenties en zelfs tijdschriften.
Wat valt er van bovenstaande te leren? Dat onderzoekers en analisten, los van de waan van de dag, er goed aan doen om de grote boeken van auteurs zelf te blijven lezen. Dat geldt ook voor boeken waarvan het lijkt dat ze nu (even) niet de (seculiere of politieke) wereld verklaren zoals die zich aan ons voordoet. Want die wereld gaat ook weer voorbij en een andere dient zich aan. Dan is het goed dat universiteiten op hun post zijn gebleven en stug hebben gewaakt over en gezorgd voor de kennisbronnen die hen waren toevertrouwd.