Atlantisch Perspectief
Amerika heeft wel degelijk een heldere buitenlandstrategie
De huidige Amerikaanse buitenlandse politiek is geen verzameling losse impulsen, maar een coherente strategie
In het kort:
De huidige Amerikaanse buitenlandse politiek is geen verzameling losse impulsen, maar een coherente strategie gebaseerd op duidelijke prioriteiten, invloedrijke beleidsdocumenten en een breed netwerk van conservatieve denkers. Wie dat mist, kijkt vooral door een Europese bril — en negeert de geopolitieke realiteit.
Het buitenlandbeleid van de huidige Amerikaanse regering rust op een aantal invloedrijke beleidsdocumenten en denkrichtingen, met als belangrijkste pijlers: Project 2025: Mandate for Leadership, de National Security Strategy en de National Defense Strategy. Met samen meer dan duizend pagina’s vormen zij het raamwerk voor een buitenlandbeleid dat minder idealistisch en meer realistisch is, minder multilateraal en meer nationaal georiënteerd. Centraal in deze strategie staan drie duidelijke prioriteiten.
Geïntegreerde visie op Amerikaanse macht
Ten eerste is er het principe van America First: de overtuiging dat de Verenigde Staten hun economische, militaire en technologische macht primair moeten inzetten voor de eigen nationale belangen. Internationale samenwerking is niet langer een doel op zich, maar een instrument — en alleen waardevol als het Amerikaanse belangen dient. De wereldorde die Amerika zelf heeft opgericht in 1945 werkt het land nu tegen, is de analyse. Amerika doet te veel en betaalt voor de veiligheid van andere landen die dat prima zelf kunnen. Landen die bovendien ook nog eens een handelsoverschot hebben met de VS. Kortom: Amerika moet zich bevrijden van de eigen wereldorde.
Ten tweede verschuift de Amerikaanse geografische focus weer nadrukkelijk naar het westelijk halfrond. Latijns-Amerika, het Caribisch gebied en de Noordpoolregio krijgen hernieuwde aandacht. Noord- en Zuid-Amerika als achtertuin van de VS past in het klassieke Amerikaanse buitenland-denken als de achtertuin van de VS. Denk aan de beroemde Monroe-doctrine, gericht tegen Europese inmenging op het westelijk halfrond. Of George Washington, de eerste Amerikaanse president, die tijdens zijn Farewell Address over de Amerikaanse houding naar Europa verklaarde dat “our detached and distant situation invites and enables us to pursue a different course.” Washington stelde vervolgens dat “the great rule of conduct for us in regard to foreign nations is, in extending our commercial relations, to have with them as little political connection as possible.”
Ten derde vormt China de centrale systeemrivaal. In lijn met eerdere Amerikaanse strategieën, maar scherper en explicieter, wordt China gezien als de belangrijkste economische, politieke, technologische en militaire uitdager. De grote geopolitieke opponent.
Deze drie prioriteiten, America First, het westelijk halfrond en China, hangen nauw samen. Ze vormen geen losse beleidslijnen, maar passen in een geïntegreerde visie op de Amerikaanse macht in de 21ste eeuw.
Geo-economische strijd met China
Achter de opvallende buitenlandkoers van de tweede regering van Donald Trump staat een immens netwerk van tientallen invloedrijke denktanks en honderden conservatieve beleidsmakers. Daarmee is Trump II geen anomalie en ligt er een basis voor de tijd ná zijn presidentschap.
Centraal hierin staan personen als Stephen Miller, JD Vance, Marco Rubio, Michael Needham, Andy Baker en Elbridge Colby. De analyse van deze denkers is dat de wereldorde van na 1945 niet langer aansluit bij de machtsverhoudingen in de wereld anno 2026.
Daarachter spelen dus tientallen denktanks een grote rol, zoals The Heritage Foundation – waaraan Michael Needham verbonden is –, het America First Policy Institute en het Claremont Institute. Gezamenlijk draagt dat netwerk van conservatieven en populisten bij aan de heroriëntatie van de Amerikaanse focus richting America First, het westelijk halfrond en het terugdringen van de economische invloed van China.
Volgens deze denkers heeft globalisering geleid tot te veel Amerikaanse strategische afhankelijkheden — bijvoorbeeld van de Chinese industrie — en heeft het multilateralisme de Amerikaanse slagkracht beperkt. De conclusie van deze conservatieve/populistische denktanks en denkers is helder. De VS moet terug naar een vorm van harde machtspolitiek, waarin economische middelen minstens zo belangrijk zijn als militaire.
Geo-economische drukmiddelen
Daarmee komen we bij een cruciaal element van deze strategie: geo-economie. Geo-economie verwijst naar het gebruik van economische instrumenten — zoals importheffingen, sancties, investeringen en controle over technologie en grondstoffen — om geopolitieke doelen te bereiken. Waar klassieke geopolitiek gaat om militaire macht en territoriale controle, draait geo-economie om markten, ketens en afhankelijkheden. De huidige Amerikaanse regering zet hier zwaar op in. Heffingen tegen onder meer China, druk op Europese technologiebedrijven en pogingen om strategische grondstoffenketens te herstructureren zijn daar voorbeelden van.
In deze visie is economische macht niet slechts ondersteunend aan geopolitiek — het ís geopolitiek. Neem Venezuela. De Amerikaanse betrokkenheid daar moet niet alleen worden gezien als verzet tegen een autoritair regime, maar als onderdeel van de bredere focus op het westelijk halfrond en China. Controle over energie, migratiestromen en regionale stabiliteit speelt hierbij een rol. Venezuela heeft de grootste oliereserves in de wereld. Olie die Amerika nauwelijks nodig heeft, maar China wel. Door de controle over Venezuela over te nemen, kan de VS die olie dus inzetten als geo-economisch drukmiddel richting China.
Hetzelfde geldt voor Panama. De strategische waarde van het Panamakanaal — een cruciale schakel in de wereldhandel — maakt het een logisch aandachtspunt binnen een geo-economische strategie. Het kanaal, aangelegd door de Amerikanen en lang in hun bezit, kwam de afgelopen jaren steeds verder onder Chinese invloed. Daar heeft de Amerikaanse regering nu een stevig stokje voor gestoken.
Radicale ideeën, zoals de hernieuwde interesse in Groenland, passen in dit patroon. Het belang van de Noordpoolregio neemt toe door grondstoffen, nieuwe zeeroutes en militaire positionering ten opzichte van Rusland en China. Mogelijke toekomstige stappen richting Cuba passen in dezelfde logica: het consolideren van invloed in de directe omgeving van de Verenigde Staten.
Van Venezuela tot Groenland
De centrale factor die de aandacht van de Trump II-regering voor deze landen bepaalt, is China. De Amerikanen zien de Chinese invloed in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied als een directe bedreiging. Ze beschouwen grote investeringen in infrastructuur, havens en energieprojecten door Chinese staatsbedrijven niet als neutraal, maar als geopolitieke expansie. Daarom probeert Washington deze invloed terug te dringen — niet alleen militair, maar vooral economisch. Zelfs de confrontatie met Iran past in dit kader.
Op het eerste gezicht lijkt het Midden-Oosten minder belangrijk te zijn in de nieuwe Amerikaanse strategie. Maar Iran wordt gezien als een destabiliserende actor die de Amerikaanse positie en die van bondgenoten ondermijnt. Naast Rusland is China een belangrijke bondgenoot van Teheran, de Iraanse olie ging voor 90% naar dat land, en als het Washington lukt Iran na een halve eeuw weer in het westerse kamp te krijgen, betekent dat een geopolitieke en geo-economische winst ten opzichte van China.
Obsessie met de president
Voor Europa is deze fundamentele verschuiving in het buitenlandbeleid van de Amerikanen zeer ongemakkelijk. De harde realiteit is immers dat Europa in de nieuwe Amerikaanse strategie geen prioriteit meer heeft. Europese veiligheid, waaronder die van Oekraïne, wordt in Washington steeds meer gezien als een verantwoordelijkheid van Europa zelf. Dat is ruim tachtig jaar na de Tweede Wereldoorlog overigens een zeer valide opvatting. De focus op Azië, China in het bijzonder, en de verminderde aandacht voor Europa is overigens niet iets nieuws. Onder president Obama zette de VS al de ‘pivot to Asia’ in.
Een tweede reden waarom veel Europese politici, journalisten, analisten en andere opinieleiders moeite hebben met de Amerikaanse koers is de afkeer van president Donald Trump en zijn beleid. Maar de obsessie met deze president vertroebelt het zicht op de onderliggende strategie, de grote geopolitieke trends en verschuivingen, en maakt ons geopolitiek bijziend.
Waarden en pragmatisme
Hoe moet Europa hier dan wel mee omgaan? De Finse president Alexander Stubb verwoordde het recent scherp: “De komende vijf tot tien jaar zullen waarschijnlijk bepalend zijn voor de wereldorde voor decennia.” In een gezamenlijke verklaring met de Canadese premier Mark Carney benadrukte hij dat landen moeten kiezen voor ‘values-based realism’ — een combinatie van waarden en pragmatisme in een wereld van strategische competitie.
Premier Carney ging nog verder in een toespraak in Davos in januari 2026 waarin hij stelde dat de zogenoemde “rules-based international order” vaak een illusie was, vooral de Westerse belangen diende, en dat landen hun beleid moeten baseren op de realiteit van macht en belangen. De kracht van Stubb en Carney is dat ze willen dat Europa en Canada niet in een gemakkelijke slachtofferrol blijven hangen en speler worden.
Mondiale onbalans
Wat we in Nederland en Europa moeten leren aanvaarden, is dat de wereld fundamenteel aan het veranderen is: politiek, economisch, sociaal-cultureel en vooral ook demografisch. Van de 8,2 miljard mensen in de wereld wonen er circa 6,5 miljard in het Mondiale Zuiden. Tegelijkertijd domineren westerse structuren die stammen uit de periode na de Tweede Wereldoorlog nog steeds de governance van de huidige wereldorde, voor zover die nog bestaat.
Die disbalans leidt tot spanningen. India, de grootste democratie van de wereld, het land met de meeste inwoners en op termijn de derde economie, heeft in de VN evenveel te vertellen als Malta. Daar tegenover staat dat de oude koloniale Europese mogendheden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in 2026 nog steeds een permanente zetel en vetorecht hebben in de VN-Veiligheidsraad.
De Indiase premier Narendra Modi benadrukt regelmatig dat mondiale instituties moeten worden hervormd om de realiteit van de 21e eeuw beter te weerspiegelen. Hij krijgt daarvoor, terecht, bijval van andere leiders uit het Mondiale Zuiden, zoals de presidenten van Brazilië, Zuid-Afrika en Indonesië.
Heruitvinden
Wat betekent dit alles nu voor Europa en voor Nederland? De Verenigde Staten maken rationele keuzes vanuit hun eigen perspectief. Dat Europa geen prioriteit meer is, zegt uiteindelijk meer over de veranderde wereld dan over Amerikaanse willekeur.
Zoals gezegd: de oproep van Washington dat Europa meer verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn eigen veiligheid is, ruim 80 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, moeilijk als onredelijk te bestempelen.
In Europa zullen we moeten accepteren dat we momenteel in een chaotische transitieperiode leven van de oude naar de nieuwe wereldorde. Dit is geen tijdperk van verandering, maar een verandering van tijdperk. De obsessie met de president maakt ons geopolitiek bijziend en voorkomt dat we doen wat we moeten doen: in actie komen.
De echte uitdaging ligt daarom ergens anders: Europa moet zichzelf heruitvinden als geopolitieke speler. Dat betekent investeren in defensie, energiezekerheid, strategische grondstoffen en digitale soevereiniteit. “Nostalgie is geen strategie”, zoals Carney het formuleerde in Davos. Er liggen volop kansen in samenwerking en partnerschappen met landen in het Mondiale Zuiden. Nieuwe tijden, nieuwe allianties.
De tijd van toekijken is voorbij. Hoog tijd dus om uit het morele schuttersputje te kruipen en de rol van geopolitieke speler op te pakken, in plaats van in een toeschouwersrol te blijven hangen. De Amerikanen en Chinezen hebben een duidelijke visie en strategie en voeren die ook uit, nu wij nog.
Foto: Shutterstock