De geschiedenis van de Europese veiligheids- en defensiesamenwerking na 1945

De eerste poging van Europese veiligheids- en defensiesamenwerking

 

1947:

Truman-doctrine

1948:

Brusselse Verdragsorganisatie (Westerse Unie)

1949:

Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

1950:

Korea-oorlog

1952:

EDG (Pleven-plan) en EPG

1954:

EDG wordt verworpen. Brusselse Verdragsorganisatie wordt omgedoopt tot WEU.

1961:

Fouchet-plan: Europese Politieke Unie (werd verworpen)

1970:

Europese Politieke Samenwerking

1991:

GBVB (vervangt EPS)

1992:

Petersbergtaken voor de WEU

1999:

EVDB (nam Petersbergtaken over van de WEU)

De Brusselse Verdragsorganisatie uit 1948 was in eerste instantie gericht op defensiesamenwerking. Deze samenwerking behelsde ook economische, sociale en culturele aspecten. BelgiŽ, Frankrijk, Groot-BrittanniŽ, Luxemburg en Nederland maakten deel uit van de organisatie, die ook als de Westerse Unie bekend stond.

Zij wordt beschouwd als het eerste naoorlogse voorbeeld van defensiesamenwerking tussen West-Europese landen. De Westerse Unie beschikte over een militaire organisatie,

( (c) Europese Gemeenschappen, 1995 - 2002)
de zogenaamde Westerse Defensie Unie. Op papier leek de Westerse Unie echter meer dan zij in werkelijkheid was. Zij kon nooit genoeg weerstand bieden tegen de grootste dreiging van die tijd, de Sovjet-Unie. Dit land breidde namelijk zijn invloed in Midden- en Oost-Europa uit en werd daarom door de West-Europese landen als een groot gevaar voor de veiligheid in Europa gezien.

Hoofdrol voor de NAVO

 

In plaats van de onderlinge samenwerking op defensiegebied verder te ontwikkelen zochten de West-Europese landen naar samenwerking met de Verenigde Staten, het enige land dat in staat was hen tegen de sovjetdreiging te beschermen. Met de afkondiging van de zogeheten Trumandoctrine beloofde de toenmalige Amerikaanse president Harry Truman in 1947 de Europeanen militair te hulp te schieten.

De NAVO-vlag
 

Op 4 april 1949 werd het Noord Atlantisch Verdrag getekend en kwam de NAVO tot stand. Hiermee werd een defensieorganisatie opgericht waaraan ook de VS deelnam. Sindsdien is in (West-)Europa defensiesamenwerking en haar belangrijkste doelstelling, de gezamenlijke verdediging van het grondgebied van de lidstaten, voortdurend in handen gebleven van de NAVO. Voor de Brusselse Verdragsorganisatie betekende dit dat zij geen rol meer op het Europese toneel te spelen had.

Europese Defensie Gemeenschap

 


Renť Pleven, de Franse premier
die een plan voor een Europees leger ontwierp
(Audiovisual Library European Commission)

Begin jaren vijftig drongen de Verenigde Staten aan op herbewapening van West-Duitsland. Dat had te maken met de toenemende spanningen met de Sovjet-Unie en het uitbreken van de Korea-oorlog (1950). Door herbewapening van West-Duitsland zou West-Europa minder kwetsbaar zijn voor een aanval uit het oosten. Veel Europese landen voelden echter niets voor een militair zelfstandig Duitsland.

De Franse minister-president Renť Pleven ontwierp daarom een plan voor een Europees leger. Hieraan zouden ook Duitse troepen deelnemen. Dit leger zou onder bevel komen te staan van een gezamenlijk Europees commando. Het plan moest leiden tot de oprichting van de zogeheten Europese Defensie Gemeenschap (EDG).

EDG-plan in de prullenbak

 

Op 27 mei 1952 werd het EDG-verdrag opgesteld. Omdat in de Europese Defensie Gemeenschap democratische controle ontbrak, werd er tevens een plan opgesteld voor een Europese Politieke Gemeenschap (EPG). Daar zou onder meer een Europees parlement toezicht hebben op wat er binnen de EDG gebeurde. De noodzaak voor Europese defensiesamenwerking bleek na verloop van tijd echter minder dringend, omdat onder andere een wapenstilstand in Korea was gesloten. De plannen voor de EDG werden in 1954 uiteindelijk in Frankrijk door het parlement verworpen. Dit betekende het einde van de EDG.

Nog een poging: de WEU

 

Voor de Duitse herbewapening, die in EDG-verband had moeten plaatsvinden, werd een andere oplossing gevonden. In 1954 werd in Parijs besloten de Brusselse Verdragsorganisatie om te dopen tot de West-Europese Unie (WEU). Tot deze organisatie traden ook de Bondsrepubliek Duitsland en ItaliŽ toe.

De WEU-vlag

Het WEU-verdrag kent (net als het NAVO-verdrag) een artikel dat de verplichting tot wederzijdse militaire bijstand behelst. Toch is er binnen de WEU nooit echt aan militaire samenwerking gedaan. De gezamenlijke defensie van West-Europa was volledig in handen van de NAVO, die sinds 1950 een eigen militaire structuur ontwikkelde.

 

In de jaren tachtig kwam er weer even belangstelling voor defensiesamenwerking in Europees verband. De zogeheten Ďrevitaliseringí van de WEU zou het Europese aandeel van de militaire inspanningen binnen de NAVO moeten vergroten. Men sprak toen van het versterken van de Europese pijler binnen de NAVO. Hier kwam ondanks mooie woorden en beloften weinig van terecht.

De Franse droom: een zelfstandig Europa

 

Begin jaren zestig kwam de Franse president Charles de Gaulle met het plan voor een politieke unie. Daarin zouden Europese lidstaten niet alleen op defensiegebeid samenwerken, maar ook op het gebied van het buitenlands beleid. Een Franse diplomaat, Christian Fouchet, kreeg in 1961 de opdracht een plan voor een Europese Politieke Unie uit te werken. In de voorgestelde Unie zouden de lidstaten soeverein moeten blijven. Het aantal lidstaten van de Europese Politieke Unie zou in principe beperkt blijven tot de lidstaten van de EEG. Duitsland, ItaliŽ en de Benelux-landen moesten niets hebben van het Fouchet-plan, omdat de voorgestelde Unie de eensgezindheid binnen de NAVO en de band met de Verenigde Staten zou kunnen verzwakken.

 

Christian Fouchet stelde in 1961 het plan voor een Europese Politieke Unie op. Later (1967 - 1968) werd hij minister van Binnenlandse Zaken in Frankrijk. Het Fouchetplan werd nooit ten uitvoer gebracht. Charles de Gaulle was president van Frankrijk van 1959 tot 1969.

 

EPS: een Europees buitenlands beleid?

 

In de jaren zestig groeide bij de EG-lidstaten het besef dat een gezamenlijk buitenlands beleid nodig was. Zelfs landen die niet tot de EG behoorden, wilden een duidelijkere positie van de EG in de wereldpolitiek. Bij onderhandelingen over handelsafspraken bleek telkens weer dat de EG niet met een stem maar met meerdere, vaak tegenstrijdige, geluiden van zich liet horen.

 

Daarom kwamen in de jaren zeventig in het kader van de zogeheten Europese Politieke Samenwerking (EPS) de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten twee keer per jaar samen om een gezamenlijk buitenlands beleid te bespreken. Van een echt buitenlands beleid was geen sprake. Het beleid ging alleen over de politieke aspecten van economische samenwerking. Bovendien diende de EPS enkel als een kader voor informeel overleg om de verschillende buitenlandse en politieke standpunten van de afzonderlijke lidstaten op een lijn te brengen.

Het einde van de Koude Oorlog

 

Het einde van de Koude Oorlog zette de wereld op zijn kop.

1989: De val van de muur in Berlijn
luidde het einde van de Koude Oorlog in

De Oost-West tegenstellingen vielen weg, de Sovjet-Unie en het Warschaupact vielen uiteen en er ontstonden nationalistische en etnische spanningen (zoals de burgeroorlog in JoegoslaviŽ). Al deze ontwikkelingen waren voor de lidstaten van de EU mede aanleiding meer te doen aan samenwerking op het gebied van buitenlands beleid. Binnen de pas opgerichte Europese Unie (1991) werd hiertoe het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB) gevormd. Het GBVB volgde de EPS op. Het GBVB zou zich ook bezig houden met vragen die betrekking hebben op de internationale veiligheid. Het GBVB omvatte geen samenwerking op defensiegebied. Wel besloten de lidstaten de WEU, een militaire organisatie, nauwer te laten samenwerken met de EU.

WEU: de gewapende arm van de EU

 


Het Eurokorps: samenwerking
tussen Frankrijk, Duitsland,
BelgiŽ, Spanje en Luxemburg

De EU was in haar beginjaren gewezen op de beschikbaarheid van de WEU voor het uitvoeren van militaire operaties.

Om vast te stellen welke soort militaire operaties de WEU zou moeten uitvoeren, werden in 1992 in een verklaring de zogeheten ĎPetersbergtakení opgesteld. Het gaat daarbij om inzet van militairen voor humanitaire taken, vredeshandhaving en crisisbeheersing (vredesafdwinging). Om deze taken uit te kunnen voeren, stelden de lidstaten van de WEU militaire eenheden afkomstig uit alle onderdelen van hun strijdkrachten ter beschikking. Hierbij werd ook een beroep gedaan op het Eurokorps, dat in eerste instantie een samenwerkingsverband tussen Frankrijk en Duitsland was. BelgiŽ, Spanje en Luxemburg namen hieraan later deel.

De NAVO blijft belangrijk

 

Hoewel de WEU wel de beschikking kon krijgen over militairen van de lidstaten, hadden de lidstaten zelf te weinig geavanceerde wapens, voertuigen en communicatiemiddelen. Daarom wilde de WEU een beroep doen op de NAVO. Via de NAVO hoopte de WEU zo militaire bijstand in te roepen van de belangrijkste NAVO-lidstaat: de Verenigde Staten. Een belangrijke stap voor samenwerking tussen de WEU en de NAVO werd in 1996 gezet toen de NAVO-ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie besloten dat de WEU NAVO-middelen mocht gebruiken om (in opdracht van de EU) vredesmissies uit te kunnen voeren.

 

NAVO-middelen

 

Weliswaar heeft de NAVO geen eigen leger, maar zij beschikt wel over middelen voor het uitvoeren van militaire operaties. Hierdoor is zij voor de EU een felbegeerde partner wanneer het gaat om militaire samenwerking. De NAVO beschikt namelijk over een geÔntegreerde militaire structuur. Deze structuur zorgt ervoor dat bij een militaire operatie van de NAVO soldaten, wapens en andere middelen van verschillende lidstaten aan het Bondgenootschap worden toegewezen. Op die manier kunnen de NAVO-lidstaten gezamenlijk optreden. De militaire structuur houdt dus in dat de NAVO een gemeenschappelijk commando heeft en dat het optreden van de toegewezen legereenheden goed op elkaar is afgestemd. Om dit voor elkaar te krijgen worden bijvoorbeeld regelmatig gezamenlijke oefeningen gehouden. De militaire structuur is opgebouwd uit verschillende hoofdkwartieren. Het Bondgenootschap beschikt over eenheden die zorgen voor communicatie, luchtverdediging en surveillance vanuit de lucht.

 

Naast de middelen die de NAVO de EU voor vredesoperaties ter beschikking kan stellen, is de NAVO als militaire partner voor de EU van wezenlijk belang omdat de Verenigde Staten lid zijn van de NAVO. Via de NAVO hoopt de EU zo militaire bijstand in te roepen van militair (en wereldwijd) gezien de sterkste bondgenoot.

 

 

De noodzaak voor een Europees defensiebeleid

 

(NRC Handelsblad)

De oorlog in BosniŽ van 1992 tot 1995 liet op pijnlijke wijze zien dat de EU ondanks het pas ingestelde GBVB geen enkele invloed had op het Balkanconflict. Ondanks verwoede pogingen een vredesakkoord tot stand te brengen en de zending van duizenden soldaten voor VN-vredesoperaties in BosniŽ, hadden de Europeanen de leidende rol en de militaire steun van de Verenigde Staten hard nodig. Hiervoor werd de NAVO ingeschakeld.

Ook gedurende de pogingen om het conflict in Kosovo in 1998 diplomatiek op te lossen, werden de tekortkomingen van de EU goed zichtbaar en speelden de Amerikanen de hoofdrol. Hierdoor werd het voor de Europeanen steeds duidelijker dat er serieus moest worden gewerkt aan een gezamenlijk defensiebeleid binnen de EU. Zelfs de Britten, die traditioneel tegen Europese defensiesamenwerking zijn, zagen hiervan de noodzaak in.

De aanzet tot een Europees defensiebeleid

 

In 1998 deden het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk een oproep de EU een zelfstandige rol te laten spelen in vredesoperaties. De regeringsleiders van de 15 EU-lidstaten gaven een jaar later gehoor aan de oproep door het zogeheten Europese Veiligheid en Defensiebeleid (EVDB) in het leven te roepen. Voor het kunnen uitvoeren van vredesoperaties heeft de EU de Petersbergtaken van de WEU overgenomen. Ook werden er voor de uitvoering van het EVDB binnen de EU speciale organen opgericht en besloot men tot de vorming van een Europese interventiemacht. Volgens het besluit van 1999 zou de EU in 2003 de beschikking kunnen krijgen over een troepenmacht van 60.000 militairen. Deze troepenmacht moet binnen zestig dagen ingezet kunnen worden voor vredesoperaties die een jaar duren. Hoewel er wel wat schot in de zaak zit, is tot nu toe nog niets van dit alles gerealiseerd. Wel zijn in het kader van het EVDB de EU-Battlegroups in het leven geroepen.

 

Vragen en opdrachten

 

[1] De Korea Oorlog duurde van 1950 t/m 1953.

  1. Beschrijf in het kort het begin en het verloop van deze oorlog.
  2. De oorlog werd uitgevochten op Koreaans grondgebied en toch werd het als de eerste militaire confrontatie tussen Oost en West gezien. Leg uit waarom.

 

[2] West-Duitsland beschikte begin jaren vijftig niet over een eigen defensiemacht. Waarom voelden veel Europese landen, en ook velen in Duitsland, in die tijd niets voor herbewapening van West-Duitsland? Betrek bij je antwoord de ontwikkelingen na de Eerste Wereldoorlog.

 

[3] Op 27 mei 1952 werd het EDG-verdrag opgesteld.

  1. De EDG moest binnen het raamwerk van de EPG worden gebracht. Geef in eigen woorden een verklaring waarom het zo belangrijk is het leger en de militaire leiding onder democratisch toezicht te houden.
  2. Nadat het EDG door een Franse minister was bedacht, werd het door het Franse parlement verworpen. Wat was de reden dat het Franse parlement tegen het EDG plan stemde?

 

[4] De oprichting van de EPS in de jaren zeventig is te verklaren aan de hand van de toenmalige internationale politieke ontwikkelingen. Geef twee voorbeelden van deze ontwikkelingen en maak duidelijk waarom deze de oprichting van de EPS noodzakelijk maakten.

 

[5] De Petersbergtaken bepalen welke soort militaire operaties de WEU namens de EU zou moeten uitvoeren, namelijk: humanitaire operaties, vredeshandhaving en vredesafdwinging. Zoek uit wat deze taken inhouden en wat de verschillen zijn.

 

[6] De EU kreeg meteen na haar oprichting te maken met de oorlogen in voormalig JoegoslaviŽ. De EU had geen doorslaggevende invloed in dit conflict. Inmiddels is de EU bezig met de opbouw van een Europese interventiemacht. Geef twee voorbeelden van mogelijke conflicthaarden of crisisregio's in en rond Europa, waar de EU met haar toekomstige interventiemacht zou kunnen optreden. Maak duidelijk in hoeverre een optreden van de EU hier zinvol kan zijn.

 

[7] Geef met argumenten aan of je het eens of oneens bent met de volgende stelling: "De EU hoeft in vredesoperaties geen zelfstandige rol te spelen, want zij kan hiervoor altijd een beroep doen op de NAVO".

 

[8] Zoek uit waarom het zo belangrijk is dat uitgerekend Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk een voortrekkersrol spelen bij de totstandkoming van het Europese defensiebeleid. Let hierbij op de traditionele thema's van het buitenlands beleid van beide landen, hun wederzijdse betrekkingen gedurende de laatste vijftig jaar en hun posities in de EU.

 

 

Links bij dit hoofdstuk

 

Historisch overzicht van de Europese integratie

http://europa.eu/abc/history/index_nl.htm

http://www.europasite.net/europasite.htm

Europese verdragsteksten

http://eur-lex.europa.eu/nl/treaties/index.htm

Het verdrag van de Brusselse Verdragsorganisatie (Engels)

http://www.nato.int/cps/en/natolive/official_texts_17072.htm

Tekst van de Trumandoctrine (Engels)

http://www.thisnation.com/library/trumandoctrine.html

De tekst van het NAVO-verdrag

http://www.nato.int/docu/other/nl/treaty-nl.htm

Chronologisch overzicht van de Koude Oorlog

http://www.onsverleden.net

De WEU (Engels)

http://www.weu.int

De Balkan

http://www.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Balkan/inhoud.html

http://balkan.startpagina.nl

Stabiliteitspact Zuidoost-Europa (Balkan)

http://www.stabilitypact.org

Conflict in Kosovo

http://www.nrc.nl/W2/Lab/Kosovo/inhoud.html

http://kosovo.startpagina.nl