Portrettengalerij

terug naar overzicht
Naam Dirk Stikker
Geboortejaar 1897
Sterfjaar 1979
Nationaliteit
Laatste update 14-09-2007

Inhoudsopgave

Inleiding
Levensloop
Denkbeelden en beleid
Invloed
Bronnen
Om verder te lezen

Dirk Stikker
 
Dirk Stikker speelde als Nederlands minister van Buitenlandse Zaken een belangrijke rol bij de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië. Hij was een groot voorstander van goede betrekkingen met de Verenigde Staten. Na Nederland als ambassadeur te hebben vertegenwoordigd bij de NAVO, was hij in de jaren ’60 NAVO-secretaris-generaal.
 
Door: Simon Hoogvliet
 
 

Na de Tweede Wereldoorlog bracht de Sovjetunie steeds meer Oost- en Midden-Europese landen in haar invloedsfeer. De betrekkingen met het Westen bekoelden al gauw. De Sovjet-dreiging kon niet door de West-Europese landen zelf worden afgewend. Zij waren te zeer verzwakt door de Tweede Wereldoorlog, die Europa in puin had gelegd. Amerikaanse hulp was dan ook dringend nodig. President Harry Truman had de Europeanen beloofd hen te helpen als dit nodig was. Met het ondertekenen van het Noord-Atlantisch Verdrag op 4 april 1949 garandeerde Amerika de veiligheid van West-Europa. Met dit verdrag werd de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) opgericht. De Verenigde Staten braken zo met een diepgewortelde traditie van isolationisme (afzijdigheid) in vredestijd. Zij zouden deel gaan nemen aan een permanent bondgenootschap. De NAVO zou in de jaren die zouden volgen, de Koude Oorlog tussen Oost en West, een belangrijke rol vervullen.
 
Ook voor Nederland was de deelname aan de NAVO een politieke omslag. Tot aan de Tweede Wereldoorlog had ons land altijd een politiek van neutraliteit gevoerd. Dit betekende dat Nederland zich afzijdig wilde houden bij gewapende conflicten tussen andere staten. Hiertoe stelde Nederland zich onpartijdig op. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was deze politiek nog succesvol. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog deed de Nederlandse regering er ook alles aan om neutraal te blijven. Al gauw maakte nazi-Duitsland een einde aan deze hoopvolle gedachte. Door na de Tweede Wereldoorlog in de NAVO te stappen, kwam er een definitief einde aan de Nederlandse neutraliteitspolitiek. In het Noord-Atlantisch Verdrag staat dat als één van de partners wordt aangevallen, dit als een oorlogsverklaring aan alle bondgenoten wordt gezien. In de praktijk betekende dit dat als de Sovjetunie West-Europa zou aanvallen, de Verenigde Staten dit ook als een oorlogsverklaring zouden opvatten. De noodzaak van een bondgenootschap was duidelijk, maar men wilde vanuit Nederland wel invloed hebben op de uiteindelijke tekst van het verdrag. Eén van de Nederlanders die de belangen van ons land tijdens deze onderhandelingen verdedigde, was Dirk Stikker.
 
Vragen/opdrachten:
  1. Op 14 mei 1955 werd het Warschaupact opgericht, het militair bondgenootschap van communistische landen in Oost Europa. Dit was de tegenhanger van de NAVO. In hoeverre verschilde het Warschaupact van de NAVO?
  2. De NAVO en het Warschaupact speelden een belangrijke rol in de Koude Oorlog. Probeer te verklaren waarom de periode van 1949-1989 de ‘Koude Oorlog’ werd genoemd. Is er daadwerkelijk oorlog gevoerd tussen beide machtsblokken?
 
Dirk Uipko Stikker werd geboren in 1897 in Winschoten als zoon van een bankier. Na een rechtenstudie stapte hij, net als zijn vader, de bankwereld in. Later werd hij directeur van Heineken’s Bierbrouwerij Maatschappij (1935-1948). De vele buitenlandse reizen die hij hiervoor maakte droegen bij aan zijn inzicht in de internationale economische en politieke verhoudingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde Stikker het ondergrondse contact tussen georganiseerde werkgevers en werknemers. In 1945 resulteerde dit in de oprichting van de Stichting van de Arbeid, het landelijk overlegorgaan van werkgevers en werknemers in Nederland. Hij stond daarmee aan de basis van de naoorlogse overlegeconomie (het ‘poldermodel’).
 
Stikkers politieke loopbaan begon na de Tweede Wereldoorlog. Hij werd lid van de Eerste Kamer en was actief betrokken bij de oprichting van de liberale Partij voor de Vrijheid, die later overging in de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Bij de kabinetsformatie in 1948 was Stikkers VVD nodig om tot een kabinet te komen, dat een oplossing zou moeten vinden voor het Indonesische vraagstuk. Na de Tweede Wereldoorlog wilde de bevolking van Nederlands-Indië niet langer onderdeel uitmaken van Nederland. Er braken opstanden uit tegen het Nederlandse gezag en de regering worstelde met de vraag wat zij met haar verre kolonie aan moest. Stikker werd minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet-Drees I. In deze functie was hij direct betrokken bij de onderhandelingen over de verhouding tot Nederlands Indië. Onder Amerikaanse druk droeg Nederland in 1949 de soevereiniteit over Indië, met uitzondering van Nieuw-Guinea, over aan de regering van de nieuw opgerichte Republiek Indonesië. Stikker wilde echter ook de soevereiniteit over Nieuw-Guinea overdragen. In 1951 bracht de VVD in de Tweede Kamer een motie van wantrouwen tegen de regering in stemming. De VVD verweet Stikker de soevereiniteit van Nieuw-Guinea te willen overdragen zonder zich te verzekeren van de steun van zijn eigen partij. Hierop trad Stikker af. Voor het tweede kabinet-Drees werd hij opnieuw voor de post van minister van Buitenlandse Zaken gevraagd. Al gauw verruilde hij de landelijke politiek echter voor de post van Nederlands ambassadeur in Londen (1952-1958).
 
Hoewel hij gevraagd werd zich voor het Nederlandse bedrijfsleven in te zetten als vertegenwoordiger bij het Economische en Sociale Comité van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), koos hij uit idealisme voor de functie van Nederlands Permanente Vertegenwoordiger bij de NAVO en tevens bij de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES). De laatste organisatie werd in 1960 omgedoopt in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling(OESO). Omdat de belangrijkste doelstellingen van deze organisaties sterk met elkaar verweven waren, vond men het toen voor de hand liggend om één persoon beide functies te laten vervullen. Van 1961 tot 1964 bekleedde hij als kroon op zijn carrière de hoogste post bij de NAVO, die van secretaris-generaal. Stikker overleed in 1979 op 82-jarige leeftijd.
 
Vragen/opdrachten:
  1. Wat zijn de kenmerken van het ‘poldermodel’?
  2. Dirk Stikker vond in de bestaande politieke partijen geen ruimte voor zijn liberale ideeën. Om die reden richtte hij een nieuwe partij op, die later bekend werd als de VVD. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het liberalisme?
  3. De problemen rond Nederlands Indië werden door veel Nederlanders als ingrijpend ervaren. Zet op een rijtje welke gebeurtenissen uiteindelijk leidden tot de onafhankelijkheid van Indonesië.
  4. Welke rol speelden de Verenigde Staten in de kwestie-Nederlands Indië? Wat waren hun motieven?
 
Stikker had een sterk gevoel voor internationale politiek. Hij was pragmatischer en internationaler georiënteerd dan de meeste Haagse politici in zijn tijd. Dit bleek al snel toen hij als minister van Buitenlandse Zaken met de kwestie-Indonesië geconfronteerd werd. De Amerikanen zagen het Indonesische vraagstuk als een belangrijk element in hun strijd tegen het oprukkende communisme. Een onafhankelijk Indonesië mocht onder geen beding onder Russische invloed komen. Dan kon het land, met zijn grote rijkdom aan grondstoffen, zijn functie als wingebied voor de belangrijkste Westerse industriële mogendheden niet meer vervullen. De Verenigde Staten drongen er bij Nederland op aan Indië onafhankelijkheid te verlenen, maar dan wel onder Nederlandse voogdij. In Nederland zelf heerste de gedachte dat de Nederlandse economie niet zonder haar kolonie kon: “Indië verloren, rampspoed geboren”. Door zijn vele reizen naar onder andere de Verenigde Staten in de periode na de Tweede Wereldoorlog, realiseerde Stikker zich dat de onderhandelingsmarge van Nederland veel kleiner was dan men op dat moment in Den Haag wilde toegeven. Bovendien kende hij Indonesië uit zijn periode bij Heineken en hij begreep dat het groeiende nationalisme aldaar en de internationale sympathie voor dekolonisatie niet te ontkennen viel. Hij was een van de weinigen in Nederland die begreep dat Indonesië hoe dan ook zijn eigen weg zou moeten gaan.
 
Stikker was een groot voorstander van trans-Atlantische samenwerking. Hij begreep dat het noodzakelijk was dat Nederland zich niet langer op het Verre Oosten richtte, maar zijn toekomst in Westers verband zocht, als bondgenoot van de Verenigde Staten. Tijdens zijn ministerschap trad Nederland toe tot de NAVO (1949) en tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Zijn trans-Atlantisch streven kwam tot uiting bij zijn werk voor internationale organisaties zoals de NAVO en de OESO. Hij had de ontwikkelingen bij de NAVO vanaf het begin met grote belangstelling gevolgd. Voor hem was dit bondgenootschap de spil waar de hele Atlantische politiek om draaide. “Aan haar dagelijks werk deel te nemen (…) was het meest begeerlijke aanbod dat ik mij kon indenken”, aldus Stikker. De NAVO was in zijn ogen meer dan een middel om aanvallers af te schrikken. Hij zag het als een belangrijk middel om de werking van het internationaal recht (volkenrecht) te verbeteren. Achter het militaire schild van de NAVO zou het volkenrecht zich kunnen ontwikkelen. Op die manier zou in de toekomst vrede kunnen ontstaan. Stikkers Atlantische oriëntatie weerhield hem er niet van om ook na de Nederlandse toetreding tot de NAVO afstand te nemen van de Amerikaanse politiek, wanneer deze volgens hem het Nederlandse belang niet diende. Zo erkende de Nederlandse regering in 1950 op zijn aandringen de (communistische) Volksrepubliek China.
 
Op economisch gebied streefde Stikker vooral naar economisch herstel van Europa, waardoor het een sterkere partner in het Atlantisch bondgenootschap zou zijn. Om dit te bereiken, introduceerde hij het Plan-Stikker. Hij stelde voor om de Europese economieën te reorganiseren door middel van een gerichte benadering per bedrijfstak. Het plan voorzag in de oprichting van een Europees Integratie Fonds. Dit fonds kon de nationale regeringen financiële steun geven voor de modernisering van hun bedrijfsleven. Tal van voorschriften die de vrije handel belemmerden, werden geschrapt (liberalisering). Hierdoor begon het bedrijfsleven echter de nadelen van de vrije markt te voelen. De steun uit het Integratie Fonds zou de Europese bedrijven helpen hun positie op de handelsmarkt te verbeteren. Ook kon de steun gebruikt worden voor de uitbreiding van investeringen in tal van bedrijfstakken. Het Europees Integratie Fonds zou adviezen uitbrengen aan de OEES-Raad, het bestuursorgaan van de OEES. Het Plan-Stikker had een sterk sociaal karakter. Het probeerde de gevaren voor de werkgelegenheid, die door liberalisatie van de handel ontstonden, af te wenden. Het plan sloot aan bij de destijds levende gedachte van ‘elkaars lasten dragen’. Stikker zelf wist uit ervaring dat een doeltreffende internationale samenwerking niet verenigbaar was met het handhaven van volledige nationale zeggenschap over economische regelgeving. Maar hij wist ook dat bijvoorbeeld Engeland nooit veel van zijn soevereiniteit op dit gebied zou willen opgeven, als dit ertoe zou leiden dat bepaald nationaal beleid vanuit het buitenland kon worden aangetast. Deze twee gedachten, de bescherming van de werkgelegenheid en de noodzaak van gedeeltelijke inperking van de staatssoevereiniteit, zijn in het door Stikker gelanceerde Nederlandse plan gecombineerd.
 
Vragen/opdrachten:
  1. Leg uit wat er wordt bedoeld met volkenrecht? Geef minimaal 3 voorbeelden van volkenrechtelijke verdragen.
  2. Wat bedoelde Stikker als hij sprak over het militaire schild van de NAVO waarachter het volkenrecht zich kon ontwikkelen?
  3. Welke gevaren kan liberalisering van de handel hebben voor de werkgelegenheid?
 
Stikker is van het begin af aan een krachtig voorstander geweest van de NAVO. Tijdens zijn ministerschap trad Nederland toe tot de verdragsorganisatie (1949). Omdat hij in de beginfase van de onderhandelingen over het Noord-Atlantisch Verdrag vooral in beslag werd genomen door de gebeurtenissen in Nederlands Indië, kon hij slechts in beperkte mate deelnemen aan het formuleren van het eerste ontwerp van het verdrag. Wel maakte hij zich sterk voor nauwere economische samenwerking tussen de bondgenoten, om zo de welvaart te bevorderen. Zo heeft hij invloed uitgeoefend op de formulering van Artikel 2 van het verdrag.
 
De NAVO heeft in haar lange bestaan verschillende crises meegemaakt, waarbij aan haar bestaansrecht werd getwijfeld. Ook toen Stikker als secretaris-generaal aantrad, verkeerde de organisatie in zwaar weer. De Franse president Charles de Gaulle wilde niet dat zijn troepen bij het uitbreken van een oorlog onder de NAVO-opperbevelhebber zouden vallen. Deze militaire positie (SACEUR, de Supreme Allied Commander Europe) wordt altijd vervuld door een Amerikaan. Frankrijk wilde niet alleen zelf het laatste woord hebben over de inzet van zijn krijgsmacht, maar had ook moeite met de Amerikaanse dominantie in het bondgenootschap. Frankrijk besloot uit de Geďntegreerde Militaire Structuur (GMS) van de NAVO te stappen. In zijn ambtsperiode probeerde Stikker het bondgenootschap nieuw leven in te blazen. Dit was geen gemakkelijke opgave, maar Stikker had een rotsvast vertrouwen in de NAVO. Ook zonder volledige deelname van Frankrijk zag hij het praktisch nut van de organisatie. Het is natuurlijk niet alleen aan Stikker te danken dat de NAVO door deze moeilijke tijd heen is gekomen, maar hij heeft hier zeker een rol in gespeeld. Op het internationale toneel groeide Stikker uit tot een van de bekendste en meest gewaardeerde Nederlandse politici, doordat hij optrad als “de politiek bemiddelaar van het Westen”.
 
Door middel van het Plan-Stikker drukte hij ook op economisch vlak zijn stempel op Europa. Het plan, dat hij indiende namens de Nederlandse regering, gaf een impuls aan het sociale Europa waar wij nog steeds de vruchten van plukken.
 
Met zijn ideeën was Stikker zijn tijd vooruit. In eigen land werd hij, zeker ten tijde van het Indonesische vraagstuk, niet altijd begrepen, maar later hebben zijn ideeën zijn faam vergroot. Hij handelde pragmatisch en tegelijkertijd vanuit idealisme, zoals ook blijkt uit de woorden waarmee hij zijn memoires afsloot: “In onze eeuw ligt voor ons allen werkelijke grootheid verborgen in het voortdurend zoeken naar eenheid en de handhaving van vrijheid, vrede en rechtvaardigheid”.
 
Vragen/opdrachten:
  1. Zoek Artikel 2 van het NAVO-verdrag op. Vind je dit artikel passen in een verdrag dat een militair bondgenootschap oprichtte?
  2. Zet de verschillende momenten uit de geschiedenis van de NAVO op een rij waarin er getwijfeld werd aan haar bestaansrecht. Hoe werden deze crises opgelost?
  3. Zoek uit waarom de SACEUR altijd een Amerikaan is. Vind je dit terecht? Leg uit waarom.
 

Boeken:
  • Paul Brill, Kopstukken van het laagland, Balans, 1999
  • Dirk Stikker, Memoires, Rotterdam/Den Haag, 1966
  • Biografisch Woordenboek van Nederland 2, Den Haag, 1985
 
Websites:
(c) 2006 - 2010, Atlantische Commissie. - site by site by Kant en Klare site uw eigen unieke website!
Page generated in: 0.20027 seconds | 54 queries executed.