Portrettengalerij |
terug naar overzicht |
|
|
||||||||||
|
Inhoudsopgave Inleiding Levensloop Denkbeelden en beleid Invloed Bronnen Om verder te lezen Ernst van der Beugel
Ernst van der Beugel heeft een belangrijke rol gespeeld bij de verdeling van de Marshallhulp in Nederland. Daarnaast heeft hij zich als de Nederlandse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken ingezet voor samenwerking tussen de Europese landen onderling en de samenwerking met de Verenigde Staten.
Door: Sophie Bijloos
Na de capitulatie van Duitsland en Japan in 1945, het einde van de Tweede Wereldoorlog, wilde Amerika voorkómen dat de verschrikkingen van de oorlog zich ooit nog zouden herhalen. Daarnaast rukte de communistische Sovjetunie op en bracht Oost-Europa onder zijn invloedsfeer. De eerste naoorlogse president van Amerika, Harry S. Truman (president van 1945 tot 1953), probeerde de expansie van het Rusland van Josef Stalin in te dammen. West-Europa moest weerbaar worden gemaakt tegen het ‘gevaar uit het Oosten’.
Omdat Europa in de Tweede Wereldoorlog grote menselijke en economische verliezen had geleden, stelde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George C. Marshall voor de Europese landen goederen en geld ter beschikking te stellen. Dit zou moeten gebeuren door middel van schenkingen en leningen, zodat hun economieën snel zouden herstellen: de Marshallhulp. Amerika hielp in 1948 het zwaar gehavende West-Europa door een bedrag van ongeveer 12,5 miljard dollar ter beschikking te stellen voor wederopbouw. (Naar huidige maatstaven zou dit naar schatting 150 miljard euro zijn.)
Om hun economieën te beschermen, voerden de Europese landen na de oorlog een politiek van protectionisme: om de eigen markt te beschermen, werd het duurder gemaakt om producten te importeren uit het buitenland. Dit gebeurde door belastingen te heffen op de import. Hierdoor werd de handel tussen de verschillende landen bemoeilijkt. Voor Nederland was dit niet gunstig, omdat ons land juist altijd van de handel had geleefd. Daarom kwam het goed uit dat Amerika als voorwaarde voor de Marshallhulp stelde dat de Europese landen economisch moesten gaan samenwerken. Niet alle Europese landen waren voorstander van deze Europese samenwerking.
Groot-Brittannië wilde slechts een tijdelijke samenwerking, omdat zijn belangen nog grotendeels buiten Europa lagen. Het land was gebaat bij de hulp en goedkope import vanuit de Verenigde Staten, maar tegelijkertijd wilde het de eigen markt en die van zijn koloniën beschermen.
Frankrijk was juist voorstander van Europese samenwerking, maar op voorwaarde dat de Europese politiek naar Franse inzichten vormgegeven zou worden. Het land vond dat er protectionistische maatregelen genomen moesten worden om de Europese economieën te beschermen. Amerika kwam voor de Fransen eigenlijk alleen van pas om militaire bescherming te bieden. In Frankrijk bestond er daarnaast een populaire communistische partij, waardoor veel Fransen geen groot voorstander waren van nauwere Westerse samenwerking. Frankrijk wilde bovendien niet dat Duitsland veel uit het hulpfonds zou krijgen. Na de verwoestende oorlog zag Frankrijk het liefst een zwak Duitsland. Nederland vond juist dat een snel Duits herstel zou kunnen bijdragen aan een sterk Europa, en zag Duitsland als een potentiële handelspartner.
Deze Europese problematiek werd besproken in Parijs in 1948. De Nederlandse delegatie op deze conferentie werd voorgezeten door Hans Hirschfeld. Zijn rechterhand was de nog geen dertigjarige Ernst van der Beugel, die als secretaris meeging.
Vragen/opdrachten:
Ernst Hans van der Beugel werd geboren in 1918 in een joods gezin in Amsterdam. In 1941 behaalde hij zijn doctoraat economie aan de Universiteit van Amsterdam. Ondanks dat de joden in de Tweede Wereldoorlog vervolgd werden door nazi-Duitsland, kwam Van der Beugel door de oorlog heen dankzij zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw. Hoewel hij de wrede behandeling van de joden en zijn eigen angst gedeporteerd te worden nooit heeft kunnen vergeten, is zijn beeld van Duitsland hier niet blijvend negatief door beïnvloed.
In 1945 begon Van der Beugel zijn carrière bij het ministerie van Verkeer. In 1946 kreeg hij een baan bij het Ministerie van Economische Zaken. In 1948 ging hij als secretaris van de Nederlandse delegatie mee naar de conferentie over het Marshallplan in Parijs. Ernst van der Beugel kreeg de leiding over de verdeling van de Marshallhulp in Nederland, eerst als directeur (1948-1952), later als directeur-generaal (1952-1957) van het Bureau van de Regeringscommissaris Economisch en Militair Hulpprogramma bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.
In het vierde kabinet-Drees werd Van der Beugel staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (januari 1957 - december 1958). Hij coördineerde de Nederlandse positie binnen de Europese Gemeenschappen, de NAVO en de OEES (Organisatie voor Europese Economische Samenwerking). De OEES was de organisatie die in 1948 werd opgericht om de verdeling van de Marshallhulp in West-Europa te coördineren. Van der Beugel diende hierna nog een jaar als adviseur van de minister van Buitenlandse Zaken.
Ernst van der Beugel was van 1961 tot 1963 president-directeur van de KLM (Koninklijke Luchtvaart Maatschappij). In 1965 promoveerde Van der Beugel in de economie. Zijn dissertatie was getiteld ‘From Marshall Plan to Atlantic Partnership’. Van 1966 tot 1984 was hij hoogleraar internationale betrekkingen aan de Universiteit Leiden. In 1985 kreeg Van der Beugel de ‘Atlantic Award’ toegekend voor zijn belangrijke verdiensten in de trans-Atlantische betrekkingen. In 2004 overleed hij.
Vragen/opdrachten:
Toen Ernst van der Beugel in 1948 werd gevraagd mee te gaan naar de conferentie in Parijs, was zijn partij, de Partij van de Arbeid (PvdA), daar niet onverdeeld enthousiast over. Zij beschuldigde hem ervan ‘anti-Europees’ te zijn. Van der Beugel was als Atlanticus namelijk een groot voorstander van nauwe samenwerking tussen Amerika en Europa. Dit werd door sommige leden van de PvdA gezien als een keuze vóór Amerika en tegen Europa. De beschuldiging was onterecht, aangezien Van der Beugel een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de opzet voor Europese integratie. Zijn inzet voor de OEES getuigt hiervan. Toch hadden zijn partijgenoten niet geheel ongelijk: Ernst van der Beugel was in de eerste plaats gericht op goede trans-Atlantische verhoudingen, Europese samenwerking was een middel om dit te verwezenlijken. Hij was groot voorstander van vrije handel binnen Europa en tussen Europa en Amerika. Van der Beugel stond daarom in ideologisch opzicht dichter bij het Duitsland van Konrad Adenauer dan bij Frankrijk, dat protectionisme voorstond. De Franse president Charles de Gaulle voelde niets voor het aantasten van de soevereiniteit van de West-Europese landen (zoals Frankrijk). Daarnaast moest Europa volgens De Gaulle protectionistische maatregelen invoeren om neutraal te blijven en geen partij te kiezen voor Amerika of de Sovjetunie, terwijl Adenauer juist duidelijk de voorkeur gaf aan een sterk Westers bondgenootschap met een sterke NAVO. Van der Beugel was het hiermee eens. Economische samenwerking leidde volgens Van der Beugel noodzakelijkerwijs tot minder soevereine landen. Volgens Van der Beugel probeerde De Gaulle van de Franse politieke prioriteiten Europees beleid te maken. Volgens hem misbruikte de Franse president de Europese samenwerking voor het Franse eigenbelang.
Van der Beugel hield zich vooral bezig met economische samenwerking. Politieke samenwerking was volgens hem een noodzakelijke voorwaarde voor economische samenwerking. Hij bracht dit in praktijk door een breed netwerk van kennissen over de hele wereld op te bouwen. Een voorbeeld hiervan is zijn deelname aan de Bilderberg-conferenties, een informele bijeenkomst van de ‘groten der aarde’. Critici vonden dit een ‘elitaire’ manier van politiek bedrijven. Vooral het informele en besloten karakter van deze ontmoetingen stuitte op kritiek, omdat het de indruk gaf dat er vriendjespolitiek werd bedreven.
Van der Beugel was bevriend met diverse vooraanstaande politici, zoals met de Amerikaan Henry Kissinger, nog voordat deze minister van Buitenlandse Zaken werd onder president Nixon en zijn opvolger Ford. Van der Beugel deelde het realisme van Kissinger: beide waren voorstander van het voeren van internationale politiek waarbij het nationaal belang als uitgangspunt wordt genomen. Om de stabiliteit te waarborgen dienen de machtsverhoudingen tussen de verschillende staten in balans te worden gehouden. De relatie tussen landen wordt in deze visie bepaald door hun relatieve macht. Deze leer wordt ook ‘Realpolitik’ genoemd. Deze stroming is het tegenovergestelde van idealisme, waarbij het in eerste instantie gaat om het nastreven van een ideaal. Tot deze idealen kunnen bijvoorbeeld vrijheid en democratie behoren. Van der Beugel ging in het voeren van zijn beleid uit van het belang van Nederland. Interessant is dat hij hierbij een ‘Atlantische wereld’ voor zich zag, waarin de VS en Europa gelijkwaardige partners zouden zijn. Om tot een vruchtbare samenwerking te komen, zouden staten aan soevereiniteit moeten inbinden. Van der Beugel vond dat Europa afhankelijk was van Amerika voor het garanderen van zijn veiligheid, en Amerika van Europa om niet in een beangstigend isolationisme te belanden. Maar deze samenwerking zou offers vergen: enerzijds zou Europa het leiderschap van Amerika moeten erkennen, anderzijds zou Amerika moeten beseffen dat dit leiderschap tot een inperking van de eigen soevereiniteit zou leiden. Dit waren volgens Van der Beugel wezenlijke voorwaarden voor een ‘Atlantische wereld’.
Vragen/opdrachten:
Ernst van der Beugel heeft meegewerkt aan het Europa zoals dat er nu uitziet. Hij heeft door het coördineren van de Marshallhulp bijgedragen aan de Nederlandse welvaartstaat. Nederland heeft in vergelijking met andere landen een groot deel van de Marshallhulp ontvangen, waardoor het zich snel kon herstellen. Door zijn houding ten opzichte van Frankrijk en Amerika heeft hij meegeholpen de Europese eenwording en de trans-Atlantische betrekkingen vorm te geven.
Maar de wereld is ook veranderd sinds Van der Beugel. Oost-Europa maakte geen onderdeel uit van de Atlantische samenwerking, omdat het tot de invloedsfeer van de Sovjetunie behoorde. Als satellietstaten van Moskou hadden deze landen geen banden met het Westen. De Koude Oorlog was de periode van gewapende vrede tussen het Westen en het Oosten na de Tweede Wereldoorlog. Europese samenwerking onder de Amerikaanse ‘veiligheidsparaplu’ was van wezenlijk belang voor de Europese landen. Daarnaast was het voor Amerika van belang dat een zich verenigend Europa samen met Amerika het communisme buiten de deur hield. Er stonden zo twee machtsblokken lijnrecht tegenover elkaar: het Westen (met de NAVO) en het Oosten (het Warschaupact). Van der Beugel was een groot voorstander van de samenwerking tussen de Westerse landen.
Toen in 1989 de Berlijnse muur viel en de Koude Oorlog ten einde was, veranderden de machtsverhoudingen. Het communistische gevaar was geweken, en Amerika bleef over als de enige supermacht. Voor Amerika nam het belang van Europa langzaamaan af. Europa op zijn beurt had de Amerikanen minder hard nodig nadat het gevaar van de Sovjetunie geweken was. In 1992 werd de Europese Unie opgericht. Het gaf de lidstaten voor het eerst een gezamenlijk buitenlands beleid, waardoor Europa meer zelfvertrouwen kreeg en zelfstandiger kon worden. Europa en Amerika begonnen uit elkaar te groeien. Voor een Atlanticus als Van der Beugel was dit moeilijk te verwerken.
Er veranderde nog meer: het establishment, de gevestigde orde waar Ernst van der Beugel onderdeel van uitmaakte, domineert niet langer de politieke cultuur. Toch is Van der Beugel een invloedrijk persoon geweest. NRC Handelsblad schreef kort na zijn dood:
‘’In Van der Beugel werd, als het ware, een tijdperk samengebald waaraan het Nederland van vandaag zijn welvaart en veiligheid te danken heeft.’’
Vragen/opdrachten:
Boeken:
Artikelen:
Websites:
Boeken:
|





