JARIG

Binnenkort bestaat de NAVO 60 jaar. Toen het bondgenootschap werd opgericht speelde het huisorkest van het State Department, waar een oprichtingsfeestje werd gegeven, de klassieker van Gershwin ‘I’ve got plenty of nothing’. Niemand zag het als een treurige voorspelling van wat het jonge bondgenootschap te wachten stond.
Ook achteraf zou dat geen faire beoordeling zijn van de verdiensten van de jarige. Wie de zestig in gezondheid haalt mag niet mopperen, ook al is de kans groot dat er een stevige midlife-crisis voor overwonnen moet worden. Bij de NAVO is er altijd wel sprake geweest van een midlife-crisis, al was het maar omdat de levensverwachting van het bondgenootschap steeds bleek mee te vallen en het instituut steeds op tijd weer een nieuwe zin aan het bestaan kon geven.
Pessimisten uit de realistische school zijn wat dat betreft al ruim gelogenstraft. Zij zijn van mening dat de internationale politiek een botsing van grootmachten is. Instellingen als de NAVO – of het Atoomagentschap of de Verenigde Naties – doen er eigenlijk niet toe. Ze zijn het werktuig van de machtigen en zodra hun spel is gespeeld worden ze nutteloos. Befaamd is het artikel uit 1994/95 van de Amerikaan John Mearsheimer (‘The False Promise of International Institutions, in International Security’) waarin hij het requiem van de NAVO bezong, nadat hij had uiteengezet dat de Koude Oorlog definitief voorbij was en tot de conclusie kwam dat het gedaan was met de alliantie in zijn oude vorm. Een oostwaartse expansie van de NAVO achtte hij op dat moment heel onwaarschijnlijk, evenals een nieuwe rol voor het bondgenootschap als bijvoorbeeld collectieve veiligheidsorganisatie.
Intussen is de NAVO dus niet ten grave gedragen, is haar ledental 27 geworden en onderhoudt zij min of meer structurele relaties met in totaal zelfs 56 staten, ook ver buiten het oorspronkelijke verdragsgebied. Dat wil niet zeggen dat de organisatie geen problemen kent. Integendeel, een bloemlezing zou in dit verband al snel te lang worden. Burden sharing lijkt een chronische kwaal, nieuwe kandidaat-leden (Georgië, Oekraïne) verdelen oude partners, de ongenegenheid om van Artikel 5 gebruik te maken door de VS na 9/11 schiep verwarring en twijfel over het Amerikaanse commitment aan de NAVO, en sommige Oost-Europese leden vragen zich na de oorlog om Zuid-Ossetië zelfs af of hun verzekeringspolis niet met een pluspakket moet worden uitgebreid. (En valt een cyberaanval op Estland eigenlijk onder de dekking?).
Niettemin is de NAVO, haast by default, de enige club die samen met nog een paar andere landen een nuttige rol kan vervullen als global security provider ten dienste van de VN. Die organisatie beschikt nu eenmaal wel over een legitiem mandaat, maar niet over eigen soldaten en schepen en vliegtuigen om voor recht en veiligheid in verre streken te zorgen. De NAVO loopt daarbij echter tegen nieuwe problemen aan. Zijn alle leden bereid hun deel aan die globale opdracht te leveren en te betalen? Antwoord: nee, de Artikel 5-solidariteit geldt daar niet en er is zelfs sprake van een perverse lottery: wie aan de beurt is of vrijwillig meedoet, moet ook nog eens zelf betalen. En kunnen alle missies worden uitgevoerd? Antwoord: nee, waardoor wèl optreden het gevaar loopt als arbitrair te worden beschouwd en nìet optreden als immoreel en selectief.
Het grootste probleem van de NAVO is echter de NAVO zelf. Door steeds elke missie te bestempelen als een ‘lakmoesproef’voor het bestaansrecht van de NAVO zelf wordt de gewone, ik zou zelfs bijna zeggen gezonde, midlife-crisis een endlife-crisis. “We can’t afford to fail” is sinds de ISAF-missie in Afghanistan begon zo ongeveer de meest gehoorde mantra uit de mond van NAVO-commandanten en politici zelf. De verantwoordelijkheidskwestie werd haast belachelijk toen de Wall Street Journal, op de februaridag dat Nederland in 2006 over het aanvaarden van de missie-Uruzgan debatteerde, in haar redactioneel hoofdcommentaar schreef: “Dutch parliamentarians may today mothball the world’s oldest alliance.” Het oudste bondgenootschap kreeg er ineens een heel nieuw strategisch concept door: dat van zelfafschrikking.
Ko Colijn is defensiedeskundige. Hij is onder andere redacteur van Vrij Nederland, bijzonder hoogleraar Internationale Betrekkingen aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en Senior Research Fellow bij Instituut Clingendael.
Deze column is eerder verschenen in het Marineblad nr. 2 (maart 2009).